Jelte Rozema wordt eindelijk verlost van zijn gênante, opgelapte meisjesfiets

Het is voorjaar 1959, een mooie lentedag aan de Belgischestraat 4. Het is zaterdag. Geen school. Uit het kippenhok op het erf komen vertrouwde, dromerige geluiden van naar voedsel scharrelende kippen. Ik heb tegen de gevel van de werkplaats van "Goed Wonen" in mijn eentje gevoetbald . Ik gooi de bal omhoog en houd de bal koppend tegen de muur in de lucht. Er wel voor zorgen, dat de bal niet op het afdak komt, want dat wordt een hele klimpartij. Soms verdwijnt de bal de steeg in. In het huis ernaast woont Japie Schone op de ovenverdieping. Japie Schone is een klein, gebocheld mannetje. Hij heeft altijd een pijp in de mond, ook bij het praten. Hij komt af en toe naar beneden om de kolenkit te vullen en die naar boven te zeulen. Japie Schone is een vriendelijke man, die het voetballen naast zijn huis niet erg vindt. Naast hem, ook op een bovenverdieping, woont Mikkenie. Mevrouw Mikkenie gluurt naar alles wat er op straat gebeurt. Pietje Rozendaal is er niet. Die doet trouwens nooit mee met voetballen.

Ik heb een stuiver bij me, van moeder gekregen .In het snoepwinkeltje van Kruiver koop ik elke zaterdag een plak kauwgum. De plak is zo groot als een speelkaart en zit in een papieren zak. Daar zit ook een plaatje in van een voetbal elftal. Dukla Praag of Real Madrid. Ik heb er al heel wat. Vandaag is het Anderlecht . Met mijn mond vol kauwgum en mijn voetbal onder de arm loop ik terug naar huis. Langs het spijlenhek van de Apostolische kerk. Bij de buren Goudriaan kijk ik naar binnen. Buurman zit gebogen over de tafel. Schrijft zeker weer een gedicht of een "In Memoriam". Als we op een verjaardag bij de buren Goudriaan zijn, krijgen Wieger en ik een glaasje ranja uit een dun, bewerkt glas en een sierlijk lepeltje. We moeten daar heel voorzichtig mee doen. Buurvrouw Goudriaan draagt een bril met positieve glazen , waardoor haar ogen heel groot lijken . Ze heeft altijd een schort aan en loopt altijd op pantoffels . Haar man (makelaar en beëdigd taxateur in ruste) is niet altijd aardig tegen haar.Wij vinden buurvrouw best aardig. Van haar krijgen we vaak een zuurtje. Ik duw de klink van onze poort omhoog en loop de steeg in.

oostzijdeNa het middageten is er iets bijzonders. Vader zegt dat we samen een stuk gaan fietsen. Op de hoek van de Belgische straat, bij kapper van Elswijk , gaan we rechtsaf de Oostzijde in. Vader heeft een grote fiets met een stug leren zadel. Ik rijd op een meisjesfiets. Zonder stang. Vader heeft mijn fiets opgeknapt. Het voorwiel komt van een ander fietsje en is veel te klein voor deze. Ik hoop maar dat de mensen er niet opletten. 

Door de week haalt moeder mijn broer Wieger en mij op van de Talmaschool. We gaan elke dag naar het Wormerbad, weer of geen weer. We hebben een seizoenskaart en het geld moet eruit. Wieger gaat bij moeder achterop, de voeten in de fietstassen. Ik moet zelf trappen op deze meisjesfiets. Als we tegenwind hebben, grijpt moeder me in de nek en duwt me vooruit.

Vader zegt niet veel als we naast elkaar door de Oostzijde rijden . We komen voorbij Wilson de kolenboer en My Home (uitgesproken als Mie Hoom), de meubelzaak, de Meypro, de speelgoedwinkel van Van de Brink en langs de Zwaardemakerstraat. Vlak voorbij de Veeringstraat stoppen we en vader stapt af. Piet Pelle op zijn Gazelle prijkt op een reclamebord. Ik gluur wel eens door de ramen van de rijwielhandel Bakker, wanneer ik door de Oostzijde van school naar huis ga. Daarbinnen staan prachtige fietsen en brommers. Vader gaat de winkel binnen en praat met Bakker, die een bril draagt en streng kijkt. Even later staan we in de werkplaats.
"Nou wat vind je ervan?" vraagt vader.
Ik kan hem wel om de hals vliegen. Maar zoiets doe je niet met meneer Bakker erbij.Tegen de wand staat een prachtige nieuwe stoere jongensfiets. Ik kan het nauwelijks geloven! Zwart met gouden strepen. Echte handvaten. Een bel die helder klinkt.
"Echt waar, pap, voor mij?"
Vader glundert en rijwielhandelaar Bakker kijkt tevreden toe.
"Het is een prima fiets, joch."
Bakker is toch aardiger dan ik dacht .Opgewonden neem ik het stuur in handen en loop met de fiets naar buiten. Aan de overkant stappen we op. Het zadel en het stuur zijn laag gezet en ik kan best bij de trappers.
"Voor je kijken," roept vader, wanneer ik, nog beduusd van dit onverwachte wonder, nog eens wil zien hoe mooi zwart en nieuw mijn fiets wel is. Laat de mensen nu maar naar me kijken, denk ik, wanneer we door de Oostzijde terug fietsen.
"Wat dacht je van een tochtje?" vraagt vader.
Bij de stoplichten stap ik voorzichtig af en houd mijn nieuwe fiets goed vast .We gaan de kluft op bij de Savornin Lohmanstraat en dan de Zuiddijk op. Wanneer we langs Opoe Roos komen, gebruik ik trots mijn bel. Zou Opoe mij wel gezien hebben? We gaan langs Scheepswerf van der Stadt, waar vader werkt. Dan de bocht om bij het kerkhof. Vlakbij het Noordzeekanaal zijn we,dat hoor je aan de geluiden van schepen. Je ruikt het ook, de lucht van rook en teer. Een scherp geknetter en fel
blauw licht van een lasserij. De wind suist langs mijn oren. Bij De Vrede stappen we af. De fietsen goed op slot. Wat is die fabriek hoog! Het is hier stil en ook een beetje naargeestig. Er wonen hier geen mensen. Er liggen hier schepen en er zijn opslagplaatsen. Het is rommelig. En de rare hoge fabriek! Veel ruiten zijn kapot. Zou de fabriek nog wel in gebruik zijn? Eigenlijk helemaal geen leuke plek om naar toe te gaan en te gaan wandelen. Ik blijf vlak naast vader lopen. Om de toren van De Vrede cirkelen zwarte vogels. Kauwtjes, denk ik. Verderop klinkt het geluid van zeemeeuwen, dat ver draagt .
Gelukkig gaan we al weer terug. Wat zouden moeder en Aukje en Wieger niet van mijn fiets vinden? En op School? Zou ik wel op de nieuwe fiets naar school mogen? Ik zou deze fiets goed onderhouden, had ik vader beloofd. Vader had in de schuur een doosje vaseline en daarmee moest je goed de spaken en de naven inwrijven.
Daar waren de fietsen alweer. Mijn fiets staat aan de binnenkant, die van vader aan de buitenkant . Ik heb het sleuteltje goed in mijn zak gestopt en wacht tot vader zijn fiets van het slot haalt. Nu ben ik aan de beurt, daar staat mijn nieuwe fiets. Maar wat is dat? Nee toch? Er gaapt een grote scheur in de zwarte glanzende kettingkast. De trapper van vaders fiets heeft tegen de kettingkast gedrukt en daar een lelijk gat veroorzaakt. Ik krijg een wee gevoel in mijn maag en tranen van droefheid en boosheid komen op.
Vader zegt niets, maar snuift diep. Zwijgend fietsen we terug.