Teunis Roode vertelt over een vroeg geval van joyriding in Zaandam

“Jongens, waaronder jouw zoon, hebben gisteren mijn Fordje gestolen en zijn er als wilden mee door Zaandam gereden. Dit heeft verstrekkende gevolgen, Roode."
Cornelis slikte nerveus.“Dit kan niet ongestraft blijven," vervolgde de baas. “Als we dit niet fors aanpakken is het hek van de dam. Een flinke straf is op zijn plaats.”
Een vroeg geval van joyriding in een tijd waarin auto's nog zeldzaam waren.

In de vroege ochtend verliet Cornelis Roode redelijk opgewekt zijn houten arbeiderswoning aan het Otterspad. De meestal wat sombere Cor had er vandaag zin in, het vroege voorjaarszonnetje deed hem goed. De winter was lang en koud geweest en buiten in de balkenhaven werken viel niet altijd mee. Het zonnetje spiegelde in het water en als hij de Vaart afliep had hij het schaftlokaal van zijn werkgever Houthandel Dekker al bijna bereikt. Alles gaf een vredige indruk, een boer komend uit het Westzijderveld doorbrak kalmpjes met zijn Oostzaner jol het vlakke water, lenteachtig, geur van hout. Het zou een mooie dag worden.

otterspad1

Met zijn werk had hij het best getroffen, vanaf krullenjongen was hij opgeklommen tot bestekzoeker, een verantwoordelijke baan waarin hij moest zorgen, dat het beste rendement uit de balken gehaald kon worden. Hij wist alles van hout. Dat had hij van zijn vader geleerd, die molenaar was geweest op een van de vele houtzaagmolens die de Zaanstreek rijk was. “Kaiken zeun, goed kaiken en leusteren. Dan leer je het meest”, zei z’n vader altijd. Cor kende de balkenhaven van Dekker op z'n duimpje, wist precies waar en hoe lang de balken in het water lagen. Het soort stam herkende hij van verre. Thuis was de situatie zorgelijk. Zijn geliefde vrouw was de laatste jaren ziekelijk. Ze was mager en bleek en het was de vraag of ze beter zou worden, maar och, wat hield hij veel van haar.

Hij zag de witte stoomwolken al uit de stenen gebouwen ontsnappen. Voordat de zaagmachines op volle toeren waren, leek het alsof ze uit alle hoeken en gaten van de zagerij werden geperst.
"Zo, Cornelis, er is veel werk aan de winkel," zei z’n chef lachend en gaf hem het bestekbriefje.
Zijn chef had het volste vertrouwen in zijn senior bestekzoeker, beter dan sommige jonge honden die ondanks winterse gladheid snel over de balken dachten te kunnen lopen, in het ijskoude water zakten en dit met een ziekte moesten bekopen. Cor zakte nooit door het ijs, was nooit ziek, had nog nooit verzaakt, nooit! Bedachtzaam zocht hij de gewaterde stammen uit en merkte met Romeinse cijfers. Na de schaft zouden ze door de watervlotters uit het water worden gehaald.

dekker

Tevreden over het behaalde resultaat liep in opgewekte tred naar het schaftlokaal, waar hij in de vroege ochtend zijn broodtrommeltje alvast op zijn vaste tafeltje had neergezet. Daar hield hij van: aan zijn vaste tafeltje met zijn oude ploeg schaften en praten.
"Eetse mannen."
Maar voor hij een hap kon nemen, kwam een klerk uit het hoofdkantoor verbolgen het schaftlokaal binnenstormen en liep regelrecht op Cornelis af.
"Roode, je moet onmiddellijk bij de directie komen”, blafte hij hem toe.
Verstijfd zat Cor op z’n stoel en liet het brood uit zijn handen vallen.
"Ja, nu meteen", maande de klerk.
Zijn collega's keken hem verbijsterd aan. Hij stond op, struikelde over een stoel en ging totaal verward op weg naar het hoofdkantoor. Wat kan er toch gebeurd zijn, vroeg hij zich af. Zich onmiddellijk melden bij de directie, dat kwam nooit voor. Had hij iets verkeerd gedaan? Waren er klachten over verkeerd geleverd hout? Nee, dat zou hij gewoon van zijn chef horen. Kreeg hij ontslag? Was hij te oud? Zijn hoofd was een doolhof van vragen .Met lood in de schoenen sleepte hij zich voort. Hij stond voor de deur van de directiekamer, hij aarzelde. Zijn hart klopte in zijn keel, wat ging er gebeuren?

Met zijn pet in zijn hand klopte hij op de deur. Hij hoorde niets, het zweet brak hem uit. Was dit allemaal wel waar? Weer aarzelde hij en klopte dit keer iets harder op de deur.
"Binnen", zei een afgepaste, geïrriteerde stem. Wankelend betrad Cornelis de imposante directieruimte. De baas zat achter een groot bureau en ging hij door met schrijven. De onfortuinlijke knecht schraapte zijn keel en stamelde "U heb mij ontboden, meneer?"
De baas keek hem doordringend aan en zei "Wij moeten eens ernstig praten."
"Ja meneer "
"Het gaat om je zoon”, vervolgde de baas.
Herman! Zijn zoon Herman, wat is er met hem gebeurd? Heeft hij een ongeluk gehad? Heeft hij iets uitgevreten? Wat gebeurt hier allemaal?
De baas zag de trillende benen van zijn knecht, wenkte hem dichter bij te komen en bood hem een stoel aan.

ford vrachtwagen

Op een vrije namiddag slenterde een groepje hechte vrienden door het centrum van Zaandam. Er was weinig te beleven. De slungelige jongens hadden een verzetje nodig en kregen zin om wat "ket" te maken. De doorgaans niet baldadige jongens liepen naar het station om bij Van Gend en Loos een ritje te kunnen pikken, maar ook daar was weinig beweging. Een enkel paard en wagen trok met een sukkelgangetje voorbij. In zo’n ritje hadden de jongens geen zin. Het moest een echte auto zijn. Bij het terrein van Houthandel Dekker zagen ze open vrachtautootje staan, een Fordje, en de chauffeur was niet te bekennen.

”We gaan zelf een ritje maken", riep een van de jongens. “Willem, die kan rijden. Z’n vader heeft ook zo’n auto.”
Ze zochten naar de slinger en daarna kwam langzaam het Fordje pruttelend op gang. Eerst ging het langzaam, maar al gauw steeds harder en harder. Ja, Willem kon sturen. Twee jongens zaten voorin naast hem, de rest zat achter in de bak.
”Harder", schreeuwden de jongens, "harder, Willem."
Roekeloos scheurden ze verder, de Stationsstraat uit en bij Bischoff linksaf de Westzijde in. Het motortje ronkte van genoegen. Houtsnippers uit de laadbak vlogen door de straat. In volle vaart doorbraken ze de laaghangende zoete Verkade-geur. Bij de gasfabriek draaiden ze om, terug richting centrum. Zwaaiend en toeterend stoomden ze op naar de Dam, waar ze wat rondjes om het Czaar Peterbeeld wilden maken.

Dam

Willem raakte enigszins uit de koers en stevende rechtstreeks op de koddebeier af, die het verkeer stond te regelen en zich ternauwernood aan Czaar Peter kon vastklampen. Het liep goed af. Dan terug naar de Damstraat en in volle vaart de Gracht op. Jolig zwaaiden en zongen de jongens naar het opgeschrikte publiek.
“Het Fordje van Dekker, dat rijdt toch zo lekker", schalde het door de straten. Geheel uitgelaten kwam er een einde aan deze dollemans rit. Ze stalden het trouwe Fordje op de plaats waar ze het in het bezit hadden genomen. De aanrennende chauffeur balde zijn vuisten en riep: "Ik krijg jullie nog wel! Ik ga de politie bellen.''
De jongens zongen onverdroten door: "Het Fordje van Dekker, dat rijdt toch zo lekker." Het geluid van de alsmaar harder schreeuwende chauffeur raakte op de achtergrond en ging uiteindelijk door het luide gezang van de uitgelaten jongens geheel verloren.
De baas keek Cor streng en verbeten aan en vertelde wat er gisteren gebeurd was: “Jongens, waaronder jouw zoon, hebben gisteren mijn Fordje gestolen en zijn er als wilden mee door Zaandam gereden. Dit heeft verstrekkende gevolgen, Roode."
Cornelis slikte nerveus.
“Dit kan niet ongestraft blijven," vervolgde de baas. “Als we dit niet fors aanpakken is het hek van de dam. Een flinke straf is op zijn plaats.”
"Ja meneer, de karwats”, stamelde Cornelis geheel ontdaan. Hij kromp ineen, zag lijkbleek en het zweet parelde van zijn voorhoofd. Zijn wereld stortte in. De schande! Zijn baan!! De baas zag de onmacht en de vertwijfeling in de ogen van zijn trouwe knecht en kreeg medelijden met hem.
"Gelukkig zijn er geen ongelukken gebeurd en is het Fordje weer heelhuids teruggekomen," bromde hij op verzachtende toon. "Je zoon zat niet achter het stuur. Ik zal geen aangifte doen. We zullen het maar beschouwen als een kwajongensstreek. Ik laat het hierbij."
Cornelis herademde.
"Je moet je zoon maar eens goed onder handen nemen en zijn vrienden horen nog van mij.'
"Ja meneer."
"Goed Cornelis, en nu maar gauw weer aan het werk."
"Dank u wel, meneer!"

Met de schrik nog in zijn benen verliet hij de directiekamer. Gehaast en de pet dwars op zijn hoofd liep hij terug naar de balkenhaven. Hoewel hij er heel genadig van afgekomen was, zinde hij toch op wraak. ''Herman en zijn kornuiten, de karwats”, mompelde hij, "de karwats.''
Nog geheel over zijn toeren vertelde hij het verhaal aan zijn maten en riep weer dat zijn zoon de karwats verdiende. Ze probeerden hem te kalmeren. '''Het is goed afgelopen, Cor. Niet zo zwaar aan tillen. Gelukkig kan je bij de baas een potje breken. Het was gewoon een kwajongensstreek."
"Ja,” zei Cor deemoedig, “ja, ik heb groot geluk gehad.''

otterspad2

Aan het einde van de werkdag slofte hij verward naar huis. Hij had moeite zijn woede te onderdrukken en voelde zich heel onzeker. Hoe kon hij Herman flink onder handen nemen zonder zijn geliefde vrouw er pijn mee te doen? Herman, de oogappel van zijn vrouw! Hij zat in een spagaat. Wat voor straf? En hoe? Hij had het Dekker beloofd.
De tafel was gedekt en Herman had het eten al klaar gemaakt. Moeder Mietje lag zwakjes op bed en wilde niet eten en drinken. Met zijn vingers maakte Herman de lippen van zijn moeder wat vochtig en verkoelde haar warme voorhoofd. “Dank je lieverd," zei ze zachtjes.

Verdrietig draaide Cornelis aan zijn snor. Zwijgzaam zaten vader en zoon aan tafel. "Er is mij vandaag iets heel ergs overkomen,” zei Cornelis op gedempte toon en vertelde het hele verhaal: van het Fordje, van de baas, van de straf. Er werd niet meer gegeten. Herman zat voorovergebogen aan tafel. Hij besefte wat hij zijn vader had aangedaan. Het bleef lang stil en hij durfde zijn vader niet aan te kijken. Cornelis legde de hand op de schouders van zijn zwaarbelaste zoon.
"Zeg maar tegen je vrienden, dat je een ongenadige straf hebt gehad en dat zij nog van Dekker zullen horen," zei Cornelis met een knipoog.

De karwats is nooit tevoorschijn gekomen, de kwajongens werden volwassen kerels en hun verhalen steeds sterker, de gemaakte rit steeds langer, de koddebeier en de chauffeur belandden in hun verhalen in het ziekenhuis, maar het oergevoel dat bleef.

Het Fordje van Dekker, dat reed toch zo lekker!