Teunis Roode pest de schrik van het Vissershop, maar ziet hem terug in de Zuiderkerk.

teunis roode

Onder aan de dijk staat een zwaar vervallen herenhuis. Het erf doet rommelig en verlaten aan, op wat scharrelkippen na. De armoede druipt van het huis af. De vergane ramen bungelen moedeloos aan de scharnieren , het dak is half verrot, de aanbouwsels hangen, half weggezakt, tegen de woning aan. De bewoner is arm, straatarm en duidelijk niet in staat het pand te onderhouden. Prikbuik noemen we hem, hoe hij werkelijk heet zou ik echt niet weten. Wel weet ik dat hij met zijn scherpe mes kleine kinderen te lijf gaat en heel gemeen in hun buik prikt.

“Dag, vrouw”, zucht hij als hij in de vroege ochtend zijn houten handkar de dijk opduwt. Het karwei lijkt iedere dag wel zwaarder te worden. Vandaag moet hij op het Vissershop de schillen ophalen. Het eerste stukje dijk is asfalt waarop zijn klompen een sloffend geluid maken en de kar geruisloos verder glijdt, daarna ratelen de wielen over gladde keien. Hij verhoogt zijn tempo en zijn klompen slaan in onregelmatige cadans op het glinsterende wegdek. Al snel voelt hij zijn rechterknie en zakt daar enigszins doorheen. Vocht is fataal!

bleeker

Langzaam schuifelt hij met de gammele kar de steile helling bij de Bleekersstraat naar beneden. Om af te remmen drukt hij de middensteun van de kar op het natte wegdek. Zo komt hij net op tijd tot stilstand bij het vlakke stuk bij de timmerwerkplaats van Berghouwer. “Het is weer gelukt“, mompelt hij en vreest de komende winter.

Zwijgend en met een onbewogen gezicht sjokt Prikbuik door de sloppen en stegen. De schillenbakken weet hij blindelings te vinden. Hij is lang niet zo luidruchtig als andere straathandelaren, zoals de bloemenverkoper die met z’n opgezwollen rooie kop schreeuwend zijn gladiolen aan de man probeert te brengen, of als de dove ‘’optimist” die met zijn kwijlende lach en zijn valse vioolgejank de mensen de stuipen op het lijf jaagt en pas afdruipt als hij zijn heitje heeft ontvangen, of als de gladde RVS man die je met angstaanjagende praatjes nog een verzekering aansmeert en dan handenwringend de straat verlaat.

Prikbuik gaat stilletjes zijn weg. Hij is geen praatjesmaker zoals “de neus”, zijn Oostzaanse collega-schillenboer, die op de Zuiddijk de hele dag praatjes maakt en daardoor ‘s avonds zijn werk moet afmaken. In het pikkedonker scharrelt hij dan met een bungelende olie lamp door de stegen. Zijn lange schrille gebogen gestalte, zijn grote kromme neus en zijn uitstekende kin geven een afschrikwekkend beeld. Kinderen zetten het bij het zien van zijn schaduw in zo’n een tochtige, enge steeg gillend op een lopen. Aan hem kleeft een zure lucht van rottend fruit. Pas heel laat verlaat hij de Zuiddijk, zijn olielamp dwaas bungelend aan zijn ranke handkar. Zijn te grote kiel en zijn wapperende broekspijpen maken van hem een spookachtig figuur, die bijna zwevend afzakt naar het Weerpad en als een schim in de donkerte verdwijnt.

handkar

Prikbuik gaat de hele dag gestaag door, zwijgzaam leegt hij de bakken en teiltjes in zijn juten schillenzak, en als deze vol is sjokt hij terug naar de handkar alwaar hij tot sorteren overgaat. Brood bij brood, schillen bij schillen en met een groot en scherp kapmes hakt hij de grote stukken in hapklare brokken, waarbij als hij een klap geeft zijn rechteroog iets trekt. Voor eigen gebruik stopt hij de naar zijn oordeel nog eetbare resten in een kleinere katoenen zak, die de rest van de dag tevreden onderaan zijn kar bungelt.

De schrik slaat om zijn hart als hij een groepje opgeschoten jongens ziet. “Vandaag niet weer, hè”, mompelt hij. Dagelijks wordt hij gepest. Gelukkig lopen deze jongens door. Het verhaal gaat dat de oude schillenboer vroeger met zijn grote mes een kind echt in de buik gestoken heeft. Hij staat vooral bij jongeren te boek als een agressieve, gemene man, die zwaaiend met zijn scherpe mes kinderen te lijf gaat en het dan vooral op hun buik gemunt heeft. Vandaar de naam Prikbuik.

Twee andere jongens in de straat heeft hij niet gezien. Onbewust van het naderende gevaar duwt hij zijn handkar wat verder de straat in en gaat het pad bij aannemer F. W. Onrust op om bij de achtergelegen houten huisjes zijn handel op te halen. Maar dan ziet hij in zijn ooghoek twee schelmen achter een muurtje wegduiken. Dat belooft weinig goeds.


1. Laat die ouwe pik
maar even zoeken,
lachen Hans en ik


Mijn vriend Hans en ik hebben de schillenkar zonder eigenaar zien staan en willen met die Prikbuik ook eens een grap uithalen. “We verstoppen zijn mes,” besluit Hans. Overmoedig duwen wij daarna zijn kar met de hele handel de grote steeg bij Zandhandel Kok in, uit het zicht van de schillenboer. ”Zo die staat! Laat die ouwe pik maar even zoeken”, lachen Hans en ik. Gniffelend duiken we weg achter ons muurtje en zien de schillenboer met een volle zak naar de straat sjokken. Daar blijft hij als aan de grond genageld staan. “M’n kar, waar is m’n kar,” mompelt hij. Wij zien hoe hij vervaarlijk trekt met zijn rechteroog als hij aan het zoeken slaat. “Die rotjongens zeker weer, ik krijg ze nog wel!” Het duurt even voor hij zijn kar teruggevonden heeft. Hans en ik hebben dikke pret. Net als Prikbuik zijn mes ter hand wil nemen, roepen wij tweeën achter ons veilige muurtje uitdagend: ’’Prikbuik, Prikbuik”. De man reageert als door een wesp gestoken, zwaait met zijn mes en rent op ons af. We schrikken ons wild en rennen voor ons leven. Even lijkt het erop dat die ouwe ons gaat inhalen, maar gelukkig net op tijd begeeft zijn rechterbeen het en strompelt hij terug naar zijn kar. Wij rennen uit pure angst door tot wij ons eindelijk op ons eigen erf veilig wanen. We willen naar binnen om ons onder de tafel te verschansen maar helaas de achterdeur is dicht. Wat nu? Een weg terug is er niet. Prikbuik kan elk moment op ons erf komen om onze schillen te halen. We zitten als ratten in de val!

We besluiten in allerijl in het kolenhok weg te kruipen. Het houten kolenhok heeft een L-model. Het staande gedeelte is hoog en smal met bovenop een klep met een veer, waar de zakken met kolen worden leeg gestort. Beneden is een brede klep om de kolen in de kit te scheppen. Haastig klimmen wij naar binnen, maar Hans is nogal gezet en blijft halverwege steken. Om de klep te sluiten buigt hij in die ongelukkige houding diep zijn hoofd, maar dat is niet voldoende. Met een ferme ruk trek ik Hans naar beneden en met een harde knal valt de klep op z’n ronde stekeltjes kop. Hans begint zachtjes te huilen. “Stil”, waarschuw ik, “Prikbuik kan zo komen. Als hij ons hoort zijn we er gloeiend bij.’’ Van angst laat Hans een lange hoogtonige wind.

Bleekersstrtoen6

Niemand kan ons meer helpen. Mijn hele lichaam trilt en de tranen biggelen over mijn wangen. In spanning wachten we af. De angst wordt steeds groter. Hoe kunnen we zo stom zijn om ons hier te verschuilen? Het teiltje met schillen staat vlakbij. Wat gaat hij met ons doen als hij ons te pakken krijgt? Met zijn grote mes? Hadden we hem maar nooit gepest. We zijn de wanhoop nabij. Alleen een wonder kan ons nog redden.

Daar is Prikbuik! We horen zijn voetstappen. We durven niet meer te ademen. Hij leegt het teiltje. Hij weet natuurlijk dat we hier zitten. We zijn er gloeiend bij. Elk moment kan hij de klep opendoen en ons op een afschuwelijke manier aan zijn mes rijgen. Een lange, tergende stilte. Dan horen we hem langzaam wegsloffen. Het gestommel van zijn klompen sterft weg in de steeg en gaat verloren in het gejoel van spelende buurkinderen. Pas dan durven we weer adem te halen. Nu het kolenhok nog uit. Hans zit helemaal vast. Half op het kolenhok hangend probeer ik hem met veel geweld te ontzetten. Opeens schiet hij los en liggen we met gehavende kleren en zo zwart als roet verkreukeld voor het kolenhok.

”Wat is er in hemelsnaam gebeurd?”, roept moeder Anne verschrikt. We vertellen het hele verhaal. Ze schudt haar hoofd. ”Jullie zijn dom en brutaal. Zoiets doe je toch niet! Vertel het verhaal vanavond maar aan je vader.” Ze heeft enigszins moeite haar glimlach te onderdrukken.
Bij het avondeten vertel ik in geuren en kleuren stoer wat er vandaag met Prikbuik gebeurd is. Mijn broers kunnen er niet genoeg van krijgen en daarom por ik het vuurtje nog een beetje op. Het verhaal dat Prikbuik beteuterd naar zijn verdwenen kar staat te kijken, moet ik herhaaldelijk vertellen.

roode hermansr anne klok

Maar vader Herman, die mee heeft geluisterd, deelt niet in de vrolijkheid. Met een ernstig gezicht zegt hij: “Jullie moeten die man niet zo pesten. Hij is oud en arm en gaat er zwaar onder gebukt dat hij altijd zo getreiterd wordt. Bovendien hoort hij bij onze kerk.” Bij onze kerk? Onze monden vallen open van verbazing. ’’Ja, hij zit elke zondag schuin achter ons”, zegt vader stellig.
Ik kan het niet geloven. Volgens mij is vader in de war. Hoe kan zo’n vreemde en gevaarlijke man in onze kerk komen? Mag dat zo maar? Tenslotte heeft hij een jong meisje met een scherp mes in haar buik geprikt! Zo’n monster in onze kerk? Ik neem mij voor om de eerst volgende zondag te onderzoeken of het wel waar is. Ik huiver echter bij de gedachte dat Prikbuik vlak achter mij in de kerk zit.

Na een loodzware dag zet Prikbuik zijn trouwe handkar weer bij zijn woning onder aan de dijk. “Avond, vrouw”, begroet hij haar moeizaam. ”Die schoffies van het Hop hadden mij vandaag weer te pakken. Dit keer hadden ze zelfs mijn kar verstopt.” Zijn vrouw schudt bezorgd haar hoofd. “Als m’n knie het niet had begeven, had ik ze wat aangedaan”, verzekert hij haar. “Ik kan er echt niet meer tegen.” ”Nog even volhouden, ouwe,“ zegt zijn vrouw. Samen drinken ze een warme kop chocolademelk.


2. Ik ben niet bang
voor God, maar
wel voor Prikbuik



Gewoonlijk zit ik naast het gangpad in de Zuiderkerk, maar ditmaal schuif ik snel voor mijn vader de kerkbank in zodat ik toch enigszins bescherming heb, mocht Prikbuik in de kerk verschijnen. Als ik nieuwsgierig achterom kijk, kan ik mijn ogen niet geloven, ik zie aan zijn loopje dat het Prikbuik is, bijna onherkenbaar keurig in een zwart pak en een lange donkere winterjas met in zijn hand een bijpassend bolhoedje. Ik ken hem alleen maar met een armoedig versleten petje en heb nooit gedacht dat hij zo’n kaal en glimmend hoofd zou hebben Samen met zijn vrouw schuift hij schuin achter ons de kerkbank in. Ik duik ineen, verschuil me achter mijn vader en ik besluit niet meer te bewegen en achterom te kijken. Het is toch waar: Prikbuik in de kerk!

zuiderkerk2

Ik ben niet bang voor God, maar wel voor Prikbuik. God is mijn vriend. Ik doe wat van mij gevraagd wordt, help mijn moeder, ga naar de kerk, luister naar mijn vader en doe mijn gebedjes. De preek kan ik niet altijd volgen maar daar heb ik geen problemen mee. Tijdens de preek worden de lichten wat gedoofd en kan ik wat spelen met drop en pepermuntjes, of wegdromen en denken aan mijn net getimmerde kar, of hoe ik mijn rammelende spatbord van mijn fiets kan vastzetten, denken aan mijn knikkers of aan Nelly, die bij mij in de klas zit. Genoeg te doen tijdens de preek, maar dit keer niet. Als het licht gedoofd wordt, durf ik me weer een beetje te bewegen. Voorzichtig kijk ik schuin achterom of Prikbuik daar nog zit. Geheel gebiologeerd loer ik naar hem, elke beweging wil ik zien. Ik krijg een flinke por van m’n vader als ik me te veel opricht. Zal Prikbuik mij herkennen? En wat zal hij dan doen? Heeft hij misschien toch ergens een klein scherp mes verstopt om mij alsnog gemeen in mijn rug te prikken?Ik blijf hem scherp in de gaten houden. Als er gebeden wordt sluit hij z’n ogen en als er gezongen wordt bewegen zijn lippen. Is hij dan toch gelovig? Wie is eigenlijk die wonderbaarlijke man? Het “Onze Vader” prevelt hij mee, maar bij de woorden “gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren” knippert hij heftig met z’n rechteroog.

Ik moet zien hoe hij de kerk verlaat! Als een gewoon echtpaar loopt hij met zijn vrouw het kerkpad af. Zelfs op veilige afstand zie ik aan zijn loopje dat het meneer Prikbuik is, knikkend met z’n rechterknie, gearmd, beide tezamen, zijn vrouw zijn waggelende beweging volgend, op weg naar hun woning in de onderdijk, zijn donkere bolhoedje schodderend in de wind.


3. Wonen er dan toch
barmhartige Samaritanen
op het Goddeloze Hop?


Het is koud maar kalm weer, de dag zit er bijna op. Zijn afgeladen kar moet alleen nog bij boer Vethaak gelost worden. Mijmerend duwt hij zijn kar voorwaarts, hoe vaak heeft hij hier niet gelopen, hoeveel stegen in en uit, hoeveel dagen, hoeveel voetstappen liggen hier! Het stemt hem neerslachtig, hij verlangt naar huis, lekker warm bij de snorrende haard, samen met zijn vrouw. Thuis is het goed, daar is in ieder geval iemand die van hem houdt. Het begint lichtjes te sneeuwen, vlokken dwarrelen langs zijn bleke gezicht, een wit laagje vormt een mooi dicht tapijt. De sneeuw geven zijn klompen een dempend geluid, de wielen trekken een lang spoor door het Hop. Voor de laatste keer.

schillen2

Hij is verbitterd, door de boeren uitgeperst, onophoudelijke treiterijen, een ellendig bestaan, armetierig, zonder enig aanzien. Zwervers worden nog hoger geacht. Nu het glad geworden is, vreest hij de helling van de Bleekersstraat. Gelukkig heeft meneer Raitmaijer met nog wat gloeiende as de ergste gladheid bestreden. Met een flinke aanloop moet het lukken, denkt onze schillenboer, maar de strooisels van de wolwinkelier blijken toch niet voldoende. Halverwege de kluft glijdt Prikbuik onderuit en raakt de macht over zijn zwaar afgeladen handkar kwijt. De kar schaart en dreigt in volle vaart schuin naar beneden te glijden, om te slaan en met schillen en al onder aan de helling te belanden. Hij schreeuwt om hulp.

Twee opgeschoten jongens snellen toe en weten de kar in bedwang te houden. Samen met de toevallig passerende slijmerige verzekeringsman torsen ze het oude vehikel stap voor stap naar boven. Prikbuik kijkt de twee jongens aan en geeft ze een afgepast dankbaar knikje. Hij twijfelt. Zijn dit niet die twee schoffies die zijn mes en kar ooit hadden verstopt? Hij weet het niet zeker. Wonen er dan toch barmhartige Samaritanen op het Goddeloze Hop?

Hij stalt zijn trouwe voertuig in een van de gammele schuren naast zijn woning en haalt opgelucht adem. “Avond, vrouw, eindelijk thuis.” “Ja, jongen, gelukkig. We hebben het gehaald,” beaamt zijn vrouw. Samen genieten ze van de dampende winterkost. Ze danken de Heer. Bij de woorden “gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren” is zijn rechteroog opvallend rustig. Dan laat hij zich voldaan in zijn versleten pluche rookstoel vallen en verzucht tevreden: “Zo vrouw, eindelijk Drees.., eindelijk rust…”
“Ja, geen armoe en gesappel meer, je verdiende rust.”
Naast de snorrende haard dommelt hij genoegzaam weg. Zijn zware geronk stijgt langzaam tot boven de dijk, ruist lieflijk langs het Hop en versmelt zich geruisloos in de wolken.