Een verhaal over Luilak aan het Vissershop door Teunis Roode.

teunis verdacht

Bloemenkoopman Deegenhart zoekt naar woorden en begint hakkelend: ‘Ja, het is bijna zeker dat uw zoons op luilaknacht mijn zomerhuisje hebben verbrand’. De man heeft  moeite om zijn tranen te bedwingen. Het blijft stil. Vader Herman is met stomheid geslagen.  ‘Mijn zoons, uw zomerhuisje?’, herhaalt hij uiteindelijk zachtjes. ’Ja’, zegt Deegenhart, ’helemaal verbrand…’ 

Nico steekt strijdvaardig zijn stok omhoog en schreeuwt: ‘We zullen ze een lesje leren!’ Hij kijkt ons wraakzuchtig aan. ‘Wat denken ze wel, die Hanenpadders, dat ze ongestraft onze autobanden kunnen jatten? Kom op mannen, we gaan ze van katoen geven!’ Wij, een groepje jochies in korte broek, hollen onzeker achter Nico aan.

Met z’n hoog opgeschoren fleskoppie is Nico één van ons. Alleen, hij is langer, heeft een groot hoofd met knalrood haar en enorme durf. Daardoor is hij de onbetwiste leider van de Bleekersstraat. Tussen de buurten heerst al jaren een heftige strijd om hout en vooral autobanden om het luilakvuur wat extra indrukwekkend te maken. Wie het grootste vuur heeft, is de baas en niet alleen met luilak, maar het hele jaar door.

luilakDe veldslagen zijn hevig. Er wordt geen middel onbenut gelaten om zoveel mogelijk banden in bezit te krijgen. Een veilige opslagplaats van autobanden is belangrijk. Spionage en verraad liggen op de loer. De rivaliteit tussen de Hoppers en de Hanenpadders dateert al van jaren geleden, maar ook de jongens van de nieuwe buurt zijn in opkomst. Wij, Bleekersstraters, tellen eigenlijk niet mee, onbetekenend klein en ongevaarlijk. We zijn een soort bijwagen van de Hoppers. Dit jaar hadden wij veel autobanden en wilden zelf een groot vuur maken, maar de Hanenpadders hebben onze banden op sluwe wijze gejat.

Een strijdbaar volk, die Hanenpadders. Ze zijn klein in aantal, maar dapper en sterk. Ook bij man tegen man zijn ze onverslaanbaar. Ze hebben nog nooit een veldslag verloren. Ze worden aangevoerd door de gevreesde Roubos-clan, een familie van stoere vechtersbazen, snel en onverschrokken. Hun stokken en schilden zijn van onverwoestbare kwaliteit.

hans hanepadsluisJoelend en met het uitroepen van strijdkreten stormen we de Zuiddijk op. Bij de Hanenpadsluis blijven we staan. Daar hebben we overzicht over het gebied van onze tegenstanders. We zien slechts één Roubos staan. ’Wat komen jullie doen?,’ roept hij. ’Onze banden halen’, roept Nico moedig; ‘Pak ze dan, als je kan,’ schreeuwt de Roubos lachend terug. Uit allerlei tuinen en stegen zien wij tot de tanden toe bewapende strijders tevoorschijn komen. Nico steekt zijn stok omhoog en geeft er als teken van kracht een harde klap mee op de stalen brugleuning. De verrotte stok spat in honderden stukjes uiteen en verdwijnt in het kolkende water van de sluis.

Ontdaan kijkt Nico achterom en ziet vijf schlemielige strijders in korte broek trillend op hun benen staan, de moed in de schoenen gezonken. ’Aanvallen, mannen’, roept hij desondanks en wij heffen onzeker maar plichtmatig onze stokjes omhoog. Nico beseft dat we totaal kansloos zijn en schreeuwt de Hanenpadders dreigend toe: ‘Jullie zijn nog niet jarig. We komen met versterking terug. Die banden zijn van ons!’ De Roubossen lachen schamper. Met onze stokjes omlaag druipen we langzaam af.


We gaan samen met
de Hoppers onze
banden heroveren


Nog steeds hebben wij groot vertrouwen in onze leider, maar er groeit twijfel. Op de Vissershopschool krijgt hij bijles voor rekenen en voor taal. Als hij huiswerk moet maken, vraagt hij steeds om het alfabet op te schrijven en de tafel van 7 en 9 op te zeggen. Hoort dat bij een opperhoofd, vragen wij ons af­­. Zijn gezag begint te tanen.

Nico weet met de Hoppers te bekokstoven om gezamenlijk de autobanden van de Hanenpadders te heroveren. Het leger van de Hoppers is groot en sterk. We zullen zeker overwinnen, al is het onduidelijk van wie de banden dan zijn.

Gewapend met stokken en schilden marcheren we met de Hoppers naar de Hanenpadsluis. Met een overrompelingstactiek zullen we ze verslaan en de gestolen banden weer in bezit nemen. Al zingend en schreeuwend


’een, twee, drie, vier, geef die banden nou maar hier
vijf, zes, zeven, acht, gooi die hanen in de gracht’


bezetten we massaal de brug en de kluft.

hans hanepadsluis 2De oude mannetjes, die op het bankje ‘Het Laatste Nieuws’ voor café Het Sluisje zitten, kijken verbaasd op. Zo’n opgewonden groep hebben ze nog nooit gezien. Ze kijken elkaar bedenkelijk aan. Als dat maar goed gaat, wordt er al pruimend gemompeld. Groenteboer Van der Voort ziet het onheil al aankomen en probeert snel zijn waar in veiligheid te brengen. ‘Het lijkt wel oorlog’, zegt visboer Klein en glipt dorstig zijn veilige stamcafé binnen.

Het opperhoofd van de Hoppers en Nico lopen samen voorop. Ze geven het teken ’Ten Aanval’ en in draf stormt de hele groep de dijk af naar de Hanenpadders, die zich haastig op de hoek van de Jonge Arnoldusstraat verzameld hebben. De overmacht van de Hoppers is groot, maar de tegenstanders geven zo maar niet op. Het wordt een ware veldslag. Wapengekletter, man tegen man, bebloede gezichten. Er wordt met aardappelen gegooid en ruiten sneuvelen. De chaos is compleet.

Op het Bureau van Politie aan de Vinkenstraat heerst in de late namiddag een serene rust. Voor het luilakfeest van vanavond zijn de ploegen ingedeeld en er zullen voldoende agenten op de been zijn om samen met de Brandweer de vuurhaarden in bedwang te houden. Ze kennen hun pappenheimers en in sommige buurten kan het wel eens uit de hand lopen, maar er zijn geen meldingen van grote brandstapels of bijzondere onregelmatigheden.

Plotseling rinkelt de telefoon in het kantoortje van de dienstdoende hoofdagent . ’Ja, hier met Van der Voort, groenteboer op de Zuiddijk. Het loopt hier helemaal uit de hand. Ze hebben m’n aardappelen gejat en m’n ruiten in diggelen gegooid. De Hoppers tegen de Hanenpadders. Het is gewoon oorlog hier!’ De diender grijpt onmiddellijk in en stuurt er twee man in de oude witte Politiekever op af. ‘Kuijpers overdrijft natuurlijk weer’, zegt de oudste diender tegen z’n collega, terwijl ze met een slakkengangetje over de Zuiddijk naar het Hanenpad rijden. ‘Oorlog! Nou, zo’n vaart zal het niet lopen!’ Maar als ze het Hanenpad naderen, begint het wel erg op een oorlogstafreel te lijken. Ze zetten de sirene aan en parkeren het oude vehikel voor café Het Sluisje dwars op de Dijk.


Hier spreekt de politie
tot U. In naam der wet,
stop met vechten!


Ondertussen heeft een aantal potige Hoppers een Roubos als gijzelaar in de houdgreep genomen en dwingt hem de opslagplaats van de autobanden te noemen. Na veel dreiging en geweld slaat Roubos door en wijst hij de plaats aan, waar de gestolen banden zijn verstopt. Onder gejuich en gezang worden de banden snel de dijk opgerold, terwijl de schermutselingen doorgaan tot de laatste Hanenpadder zich zal hebben overgegeven.

De oude koddebeier heeft de megafoon ter hand genomen en spreekt de vechtende menigte toe:
’Hier spreekt de politie tot U. In naam der wet, stop met vechten. De Hoppers moeten onmiddellijk terug naar de Bleekerstraat. Wie doorgaat zal ingerekend worden’. Zijn woorden worden met hoongelach ontvangen. Het wettige gezag wordt bespot met een snerpend fluitconcert.

Al maar zingend ‘Juut Juut Juut daar komt een smeris aan, op z’n hobbelpaard rijdt hij door de straat’ rollen de overwinnaars de banden met veel feestgedruis bij de Bleekersstraat de dijk af. De dienders bergen stilletjes de megafoon weer op en kijken onmachtig en gelaten naar het tafereel.

Bij de scheiding van het Hop en de Bleekersstraat wordt Nico hartelijk door de Hoppers bedankt en zien wij de banden verdwijnen in de donkerte van het Hop. Daar gaan ze, onze autobanden. Terneergeslagen besluiten wij om toch maar op de Bleekerstraat ons luilak maar te vieren. Ons hout moet tenslotte ook op, al zal het zonder onze banden een fikkie van niks worden. Waar is Nico eigenlijk?

‘We mogen met de Hoppers meedoen’, roept Nico enthousiast , die uit het niets opdoemt. We hebben weinig keus en gedwee brengen we ons hout naar de Hoppers. Eenmaal bij het geweldige vuur van de Hoppers worden we enthousiast, vooral als het vuur groter en heftiger wordt. Ieder van ons mag zelfs een autoband op het vuur gooien. De vlammen toornen hoog boven de huizen uit. Vonken vliegen in het rond en vette zwarte rookwolken verduisteren het zwerk. ‘Het grootste vuur van Zaandam’, roept iemand, voordat de brandweer ingrijpt. Het vuur wordt langzaam minder en moet met wat opporren en met nog rondzwervend hout gaande gehouden worden.

Het opperhoofd van de Hoppers, die aan de Plataanlaan woont, roept: ‘Bij mijn buurman ligt nog een stapel hout, die we mogen opstoken’. We horen er helemaal bij en voelen ons vereerd dat wij, Bleekersstraters, de zware schotten op het vuur mogen gooien. ‘Wij gaan bij Luc van Noord luilakbollen halen’, zegt een groepje oude Hoppers, ‘Houden jullie het vuur maar brandend’. We gloeien van trots, dat wij nu de baas zijn over het weer opgelaaide vuur en staren vergenoegd in de gretige vlammen. Tegen het eind van de ochtend komen de Hoppers nog even kijken. ‘Goed gedaan, jochies’, zeggen ze schalks lachend.

Laat op de avond klingelt bij ons de deurbel en vader Herman doet de voordeur open. ’Meneer Roode, het zit zo, ik wil even met u praten.’ Op de stoep staat een nerveus rokende, gedrongen kleine man in werkkleding . Mijn vader herkent hem als Deegenhart, de bloemenkoopman. ‘Komt u verder, dan praten we binnen even verder’, zegt mijn vader verbaasd.

Herman Roode

Aan tafel gezeten zoekt Deegenhart naar woorden en hakkelend begint hij: ‘ Ja, het is bijna zeker dat uw zoons op luilaknacht mijn zomerhuisje hebben verbrand’. De bloemenkoopman heeft moeite om zijn tranen te bedwingen. Het blijft stil. Vader Herman is met stomheid geslagen. ‘Mijn zoons, uw zomerhuisje?’, herhaalt hij uiteindelijk zachtjes. ’Ja’, zegt Deegenhart, ’helemaal verbrand’.

De volgende ochtend horen Herman en ik van moeder het verhaal van Deegenhart en zijn zomerhuisje. ’We wisten niet dat het een zomerhuisje was en we hebben het niet alleen gedaan’, is ons zwakke verweer. We vrezen de avond en het moment dat we vader onder ogen komen. Een lange preek en een zware straf hangen ons zeker boven het hoofd. En wie gaat dat allemaal betalen?

Van broers Jelte en Kees weten we dat een preek van vader het ergste wat je kan overkomen. Liever een hard pak rammel of dagen geen eten dan een preek. Die gaat je door merg en been, aldus de onheilspellende woorden van onze oudere broers. De dag duurt eindeloos lang. Er komt geen einde aan. Hoe zal ons vonnis luiden?

Met een mengeling van onmacht en onderdrukte woede spreekt vader ons aan. Zijn donkere ogen staan verdrietig. ‘Hoe lossen wij dit op?’ zegt hij. ‘We hebben geen verzekering en zeker ook geen geld. Hoe kunnen jullie ons dit aandoen?’ Zo verslagen hebben wij hem nog nooit gezien. De gevreesde preek en straffen blijven tot onze grote verbazing uit.


Iedere vrijdagavond gaat
vader met de pet rond om
geld bijeen te scharrelen


Pas na verloop van tijd wordt duidelijk dat we niet als enigen het zomerhuisje hebben verbrand, maar als gereformeerden in een ongelovige wijk vallen we nou eenmaal op en die schijnheilige boontjes van Roode krijgen altijd het eerste en vaak als enigen de schuld. Er volgt overleg met andere ouders hoe het probleem van het verbrande zomerhuisje kan worden opgelost, zodat Deegenhart een nieuwe kan laten bouwen.

Weken lang gaat vader Herman op vrijdagavond met de pet langs bij verschillende families langs om geld bij elkaar te scharrelen. Elke vrijdag wordt het schuldgevoel bij mij en broer Herman groter. Vader kijkt niet boos als hij de deur uitgaat, hij vergeeft het ons. Toch voelt het niet goed aan, het knaagt aan ons. We wisten het niet wat we deden, maar hadden het wel gedaan. De luilakviering heeft een bijzonder bittere nasmaak. Op het Hanenpad hoeven wij niet meer te komen en uit schaamte passeren wij de bloemenstal van Deegenhart met een grote boog. Ook het stoken van vuren kunnen we verder wel vergeten.

 

zaanOp de oude bootsteiger van de vroegere Zaandammerboot aan de Notenlaan knappert een jaar later toch een zeer bescheiden houtvuur, niet groter dan het kampvuurtje van beginnende padvinders. Nico is echt groot geworden, doet niet meer mee en heeft bij Bruynzeel een baantje aan de lopende band gevonden. Jaloers kijken we naar de rode gloed die boven de Haven hangt, aan de overkant van het water, en gelaten horen we het luilakgedruis van de Havenezen. Een overtreffend vuur, groter dan die van de Hoppers en waar waarschijnlijk geen zomerhuisje aan te pas komt.

Toch genieten we van de warme bollen van Luc van Noord en gelukzalig porren we ons vuurtje nog eens op. We kijken in aller vroegte naar het heen en weer varende pontje van Schaap en naar de voorbij gaande schepen. We zijn dankbaar dat het toch weer mocht van onze ouders. Wel klein, maar we beleven toch maar weer een luilak aan de Zaan.