Jelte Rep spreekt met ooms en tantes over de jaren '40 - '45.

meintje pb

Luilak gaat niet door dat jaar. Twee dagen voor Pinksteren vallen de Duitsers Nederland binnen, over de weg en door de lucht. Omstreeks vijf uur 's nachts bereiken de Junkers en de Messerschmidts de Zaanstreek. Het gedreun wekt Auke en Gees in hun kleine huisje aan de Halstraat, Zaandam. Ze kunnen de slaap niet meer vatten en stappen hun bed uit om naar de radio te luisteren. Tinus Rep, 's nachts werkzaam bij de hulppolitie in de Koog, waarschuwt Meintje. Over een maand moet ze voor de tweede maal moeder worden. In de Bleekersstraat, Zaandam, worden ramen opengeschoven om te zien waar het gegrom vandaan komt. Alleen in de Eendrachtstraat slapen ze rustig door. Pas als Teun en Marie 's morgens opstaan, merken ze dat het oorlog is. Gees heeft net de voorjaarsschoonmaak achter de rug, maar niet, zoals haar ouders, de kachel al afgesloten. Daarom vult hun kleine woonkamer zich al gauw met familieleden, die op de warmte en de radio afkomen. Gees: "Buiten was het koud, maar bij ons was het lekker warm. Zodoende zat de hele kluit bij ons te luisteren. Maar angstig was het wel. Haar broer zit in het leger aan de Maas en de radioberichten zijn zo somber dat Gees voor haar geestesoog al het lijk van haar broer in de rivier ziet drijven.

De Duitse overmacht is groot. Bovendien moet het Nederlandse leger het stellen zonder de (schoon)zoons van Heit, die daar overigens in het geheel niet om rouwt. Hij heeft Auke een horloge geschonken toen die werd afgekeurd voor het leger vanwege zijn maagklachten. Auke: ,,Die hebben we een beetje aangedikt en we waren de koning te rijk toen ik niet in dienst hoefde. Heit was ook niet zo bloeddorstig. Hij zelf was indertijd uitgeloot en heeft nog 'lang trots zijn loterijbriefje bewaard. Nummer 13 was het geloof ik." Teun Rozema heeft last van eczeem en is daarom afgekeurd. Ook Tinus Rep en Herman Roode zijn nooit onder de wapenen geroepen.

loterij13

Oorlog of geen oorlog, vrijdag 10 mei 1940 is een gewone werkdag, maar halverwege de ochtend krijgt Auke voorlopig vrijaf van zijn baas, scheepsbouwer Van der Stadt. Teun Rozema daarentegen is volop aan 't werk. Eerst gaat hij, in opdracht van zijn baas, de aannemer Rein Kakes, naar de Volksbond, waar eerste hulp aan de oorlogsslachtoffers wordt verleend, en later moet hij allerhande beschermingsmaatregelen nemen bij klanten. Voor meneer Onrust in de Schildersbuurt plaatst hij zandzakjes om het huis tegen eventuele rondvliegende kogels te beschermen. Mevrouw Onrust weigert zich achter die zandzakken te verschansen. Zij roept tegen haar man: "Mijn zoon vecht aan de Grebbeberg en dan moet ik zeker de kelder inkruipen! Ik ga buiten op straat staan!" Teun en zijn maat kijken elkaar aan en vinden dat het hoog tijd wordt om naar huis te gaan om te zien hoe het met hun vrouwen gaat.

De oorlog komt angstig dichtbij als op de ochtend van derde pinksterdag de Engelsen de olietanks aan de overzijde van het Noordzeekanaal in brand schieten, hemelsbreed niet meer dan drie kilometer van Zuiddijk 307 en Bleekersstraat 21, maar ook Meintje en Tinus in de Koog kunnen de lugubere rookpluim zien. 's Middags bombarderen de Duitsers Rotterdam en capituleert het Nederlandse leger. Verslagenheid en verwarring. Wat nu? De directeur van de Artillerie Inrichtingen, de grootste wapen- en munitiefabriek van het land, wil zijn bedrijf niet zomaar overdragen aan de Duitsers en liever opblazen, maar het mag niet. Rustig aan en niet meteen de sfeer bederven, is het devies. Sportieve verliezers zijn en aan de slag maar weer.

,,We moeten morgen maar weer beginnen, want zo komen we er ook niet", zegt Van der Stadt als hij zijn knecht Auke uiteindelijk vindt in de portiersloge van de Sancta Maria, de katholieke zusterschool in de Oostzijde. Daar heeft Auke zich de afgelopen nachten verdienstelijk gemaakt als wachtpost van de Luchtbescherming, maar nu de strijd gestreden is, sommeert zijn baas hem terug te gaan naar de scheepswerf aan de Voorzaan. Aan de overkant van het water ligt de Artillerie Inrichting, onderwerp van hardnekkige geruchten. Als de Nederlanders de munitiefabriek niet in de lucht laten vliegen, zullen de Engelsen dat ongetwijfeld doen. De bewoners van de Havenbuurt verlaten massaal hun huizen en zoeken elders onderdak. Herman en Anne Roode ontvluchten het Vissershop en trekken in bij Auke en Gees in de Halstraat. Auke: ,,Met een bedje naast ons bed en zo nebben ze bij ons geslapen." Zuiddijk 307 ligt ook in de vermeende gevarenzone, maar Heit en Mem blijven thuis. Als de dag verstrijkt zonder dat de Engelsen komen, kan iedereen weer zijn eigen bed opzoeken en rustig gaan slapen. De Engelsen vliegen 's nachts niet. In Koog aan de Zaan waakt hulpagent Tinus Rep voor een weekloon van ongeveer 25 gulden over zijn slapende dorpsgenoten. Tinus: ,,Dat was alleen nachtdienst. Surveillance. Tegenwoordig gaan ze met de auto, maar toen was het allemaal lopend. Je had een helm op, een band om de arm en een gummiknuppel. Ik weet nog wel die tijd dat de NSB erg in opkomst was en dat wij met de politie mee een kijkje gingen nemen in de Waakzaamheid. Op zondagavond werd daar gedanst op de muziek van een orkest waarin veel joden speelden. Toen kwam er plotseling zo'n ploeg NSB'ers binnenvallen. Die joden wisten niet waar ze heen moesten. Die doken onder de vloer van angst. En wat me altijd bijgebleven is, is dat er een neef van Meintje bij was. Ik stond daar met m'n gummiknuppel in m'n hand en ik zag hem. Ik dacht: hé jongen, wat doe jij nou? En toen zag hij mij ook. Hij keek mij aan en toen draaide hij om en droop af."

hulpagent

Het gepest en getreiter van joden wordt op hardhandige wijze overgenomen door de Duitsers. Er komen allerlei verbodsbepalingen tegen de joden. Ze mogen niet dit en ze moeten dat. In februari 1941 worden Amsterdamse joden massaal bijeengedreven op het Jonas Daniël Meyerplein, vernederd en afgevoerd. Walging en woede bij de toeschouwers. "Staakt, staakt, staakt", roept een pamflet dat door Zaanse communisten wordt verspreid. Er wordt massaal gehoor gegeven aan de oproep. Teun Rozema is een van de stakers. Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in Nederland, komt persoonlijk naar de Zaanstreek om een hard ultimatum te stellen. De staking wordt opgeheven, maar zal in de herinnering blijven als een onvolprezen moment uit die trieste oorlogsjaren. Het verzet tegen de Duitsers is ontwaakt en zal zich niet langer beperken tot het schilderen van anti-Duitse leuzen. Voorjaar 1942 vliegt een Duitse opslagplaats aan de Zuiddijk in brand. De Duitsers nemen wraak door burgers 's nachts te laten patrouilleren bij "militaire objecten". Auke Rozema moet een elektriciteitshuisje bij het gemeenteziekenhuis bewaken, zijn broer Teun krijgt een bedrijf in de Czaar Peterstraat en later ook nog eens een drukkerij bij de Zwaardemakerstraat toegewezen. Vinden er aanslagen plaats, dan zijn zij verantwoordelijk, maar gelukkig gebeurt er niets.

Inmiddels moeten de Duitsers hun hoop om Engeland te bezetten, opgeven en rekening houden met een Engelse tegenaanval. De Nederlandse kust wordt zwaar bewaakt en verstevigd. Bunkers worden gebouwd, bewoners uit de kuststreek worden geeëvacueerd. Meintje en Tinus in de Koog krijgen een oud en lastig stel Castricummers in huis, die maar korte tijd blijven en als dank een imposante geïllustreerde bijbel achterlaten. Opoe Rozema krijgt Tiede, de broer van haar inmiddels overleden man, in huis. Ook Tiede en zijn vrouw Hiltje hebben hun huis in Castricum moeten verlaten. Ze wonen in het kleine achterkamertje - het eerste stel uit een lange reeks inwoners. Tiede helpt Opoe met het invullen van paperassen, tot grote jaloezie van Hiltje. De inwoning duurt ongeveer negen maanden. Andere stellen maken daarna graag van de ruimte gebruik en voorzien Opoe van een welkome aanvulling op haar weduwepensioen. Eén stel protesteert: opoe in de grootste kamer en zij in de kleinste, dat is toch een schande! Zij staan snel op straat, net als hun fietsen, die ze altijd brutaal in de gang parkeren.

De Duitse oorlogsindustrie heeft veel arbeiders nodig, maar vrijwilligers om in Duitsland te werken zijn er nauwelijks. Dan gaat het kwaadschiks. Arbeiders worden opgeroepen om zich te melden bij de arbeidsbureaus. Teun gaat evenwel eerst naar zijn dokter voor een verklaring dat hij chronische eczeem heeft, houdt vervolgens zijn handen een nacht lang in een emmer met soda, zodat ze er de volgende morgen afschuwelijk uitzien en wordt inderdaad afgekeurd. Herman Roode heeft minder geluk; hij wordt wel geschikt geacht om te werken voor de Duitsers. Zijn baas Kakes weet het evenwel te regelen dat zijn werknemers dat niet in Duitsland hoeven te doen, maar in IJmuiden. Herman werkt er aan de Atlantikwall, aan wegversperringen rond de haven, aan een duikbootbasis en later aan een bunker aan het strand. Slavenwerk is het en gevaarlijk ook. Geregeld wordt er gebombardeerd en moet Herman voor de moordende scherven wegduiken in zandkuilen. Als ze beton gaan storten voor de bunker, komt een springvloed aanzetten, die de bekisting overspoelt en het bouwwerk aan het wankelen brengt. De Duitsers zijn razend. Sabotage! Al het cement moet snel bovenop de duinen gesleept worden, buiten het bereik van het zeewater. In de verwarring smeren Herman en wat lotgenoten 'm. Het geluk is met hem. Korte tijd later blaast het Zaanse verzet de Bakkerschool aan de Oostzijde op. Daarin is het Arbeidsbureau gevestigd. De hele administratie wordt vernietigd.

Ook Teun ontkomt niet aan het werken voor de Duitsers, die achter de Atlantikwall vrij schootsveld willen hebben. Hij wordt te werk gesteld bij Flink en Bokman in Castricum. Elke dag met de overvolle trein naar Castricum, waar een open vrachtauto staat te wachten om hem en zo'n veertig lotgenoten af te voeren naar Egmond aan Zee. Daar moeten ze huizen en hotels slopen. Over een bungalow doen ze één dag, de hotels nemen wat meer tijd. Vier dommekrachten, in elke hoek van een verdieping één, en dan de muren er in z'n geheel afdraaien. Half Egmond kijkt toe en jat wat er te jatten valt. Er wordt gesaboteerd bij het leven. Het is de kunst een balk zo naar beneden te gooien dat ie breekt en waardeloos wordt voor de bunkerbouw. Hoe meer d'r heel blijft, hoe langer de Krieg duurt, roepen de Egmonders. In 1943 weet Teun onder dit werk uit te komen en krijgt hij tot zijn opluchting werk bij de Miko-graanfabriek. Twee weken later wordt hij ziek. Er wordt pleuritis vastgesteld. Hij ligt drie maanden in het Sint Jan-ziekenhuis en moet dan voor herstel naar "Bosch en Duin" in Laren. Teun:,, Dus toen was voor mij de oorlog eigenlijk afgelopen." Hij wordt er goed verzorgd en er is geen gebrek aan eten en drinken. Het herstellingsoord heeft een tuin met wel 1200 bomen. Als hij eenmaal mag lopen, wandelt Teun er graag in de stilte van de vroege ochtend op zoek naar nesten van uilen en sperwers, of naar exemplaren van Vrij Nederland, die 's nachts door Engelse vliegtuigen boven Nederland worden uitgestrooid.

ausweis

Het is voor Teun een betrekkelijk prettige tijd, maar niet voor zijn vrouw, die hem twee keer per week bezoekt, op woensdag en op zondag. De reis in die overvolle treinen is een verschrikking en niet zonder gevaar. Treinen zijn een gewild doelwit voor vliegtuigen en saboteurs. Veel mensen durven niet voorin te zitten, achter de locomotief, en ook niet achterin, waar het afweergeschut staat. Marie: "Maar mij kon het niet zoveel schelen waar ik zat, 't was toch al moeilijk genoeg om erin te komen." Eerst gaat ze alleen, later met Aukje. "Ik dacht, als er wat gebeurt heb ik dat kind tenminste bij me." Soms gaan familieleden mee op bezoek. Oom Teun maakt in "Bosch en Duin" tientallen zijden boekenleggers voor twee gulden per stuk; in de kleuren rood-wit-blauwenje naam in oranje. Als hij zich in de keuken een keer een opmerking over het eten laat ontvallen, zegt de kok: laat je vrouw dan hier komen werken. Marie: "Ja, dan had ik het ook goed gehad, maar ik kon niet. Ik had m'n moeder hier ziek. Je kan toch je moeder niet in de steek laten?" Na acht maanden keert Teun Rozema terug naar de Eendrachtstraat.

De jacht op voedsel gaat steeds meer het leven beheersen. Het eten wordt steeds kariger. Iedereen is uit op iets extra's. Auke Rozema en zijn maten "vinden" bij een klus in het Zaans Veem zakken vol met chocolade. Hun eerste greep in een van de zakken is een misgreep. Het blijkt oude, zurige melkchocolade te zijn. Op zoek naar bonken pure chocolade worden alle zakken kapot gesneden. Auke: "Het waren flinke bonken en die sloeg je dan thuis stuk met de hamer. Dan had je echte chocolade! Het was een hele toer om het weg te krijgen, want die lui die daar werkten, hadden de pest aan je. Die zeiden: jullie verpesten het voor ons."

In Koog aan de Zaan tooien hulpagenten als Tinus Rep zich op hun nachtelijke surveillances graag met een wijde cape en op hun ronde door het dorp vergeten ze zelden de koekfabriek van Van Delft, waar één bewaker de wacht houdt over de grote voorraden die er liggen opgeslagen. Tinus:,,Als we daar hadden gecontroleerd, dan stond onze capes bol van de repen kantkoek. Daar gingen we altijd dik beladen vandaan. Nee, het mocht natuurlijk niet. Het was eigenlijk gewoon diefstal door de politie."

Door het nachtelijke politiewerk heeft Tinus overdag tijd vrij om wat bij te verdienen. Hij begint in het schuurtje achter het huis in de Vioolstraat blokkendozen te maken. De blokken worden gemaakt met een handzaag en aan zes kanten beplakt met afbeeldingen. Het wordt geen succes, want Tinus raakt snel door zijn voorraad prentjes heen. Tinus: "Op het laatst was het behangpapier dat ik er opplakte. Dus dat was niet veel meer waard." Beter gaat het als Tinus met wat zelfgemaakt speelgoed naar Amsterdam stapt en de Duitsers probeert te interesseren in zijn duikelaars en speelgoedbootjes. Hij hoopt op een order van zo'n vijfhonderd stuks, maar de Duitsers bestellen er meteen tienduizend. In één klap is hij een bedrijf geworden. Tinus: "Je kon het niet besiepen." Links en rechts moet hij mensen aantrekken. Zijn broer Klaas wordt belast met de vele thuiswerkers die op stukloon het karwei uitvoeren. Gees, die haar tweede kind verwacht, is een van die thuiswerkers. Ze moet kleine motorkruisertjes twee keer met een plakkerige, grijze verf schilderen en als ze eindelijk droog zijn, afleveren bij Klaas Rep in de Oostzijde. Gees: ,,lk was in verwachting en dan zei Klaas altijd vermanend: Geesje, Geesje, denk erom!"

Als de oorlog grimmiger wordt, verliezen de Duitsers hun belangstelling voor speelgoed en moet Tinus de bakens verzetten. Samen met Herman Roode gaat hij rijwielbanden van hout maken. Rubberen fietsbanden zijn reeds lang een onbetaalbare luxe geworden. Tinus: "We maakten die banden voor levensmiddelen. Het waren stroken triplex die we om de velgen spanden. Maar ja, als de mensen er een poosje op gereden hadden, lieten die stroken los, spatten ze uit elkaar en kregen ze de brokken voor hun kop. Dus dat was ook weer betrekkelijk."

Ook Marie probeert wat bij te verdienen, knoopt tassen van papiertouw, die ze dan weer verkoopt. Marie: "Ik zou niet meer weten hoe het gaat. Ik had m'n nicht dat zien doen en toen dacht ik: dat kan ik ook wel." Door zijn ziekte krijgt Teun slechts 158 gulden in het jaar aan invaliditeitsrente, maar gelukkig vergeet "Reinbaas" zijn vroegere werknemer niet. Marie mag elke week een brood en wat geld komen halen. Als Teun weer wat hersteld is, helpt hij een handje op de werf van Reinbaas. De Raad van Arbeid stopt onmiddellijk de uitkering van 3 gulden per week, aangezien de dokter hem in staat acht eenderde van zijn loon te verdienen. Een vol weekloon bedraagt in die tijd nog geen 30 gulden.

De Rozema's blijven elkaar zo goed en zo kwaad als het gaat opzoeken. Verjaardagen worden zoveel mogelijk gevierd, al is het karig met rookwerk en zoetigheid en moet iedereen voor Spertijd weer thuis zijn. April 1943 komen ze op kraamvisite bij Gees en Auke. In de wieg ligt een schriel meisje: Aukje. De dokter geeft weinig hoop en zegt: wat je er ook aan doet, je krijgt haar nooit vet. Gees: "Ik wou dat die dokter nog leefde, dan gingen we er nu een keer heen. Nu kan ze er niets afkrijgen." Een baby geeft recht op wat extra voedsel, suikerpoeder en druivensuiker onder andere. Zodoende kan de familie getrakteerd worden op zelf gebakken wafeltjes, die ze allemaal reuze lekker vinden. De koperen bruiloft van Teun en Marie valt midden in de hongerwinter. Marie weet de familie te verrassen met koeken, die zij zelf van wat opgespaard meel heeft gebakken op de kachel.

In de winter 1944-'45 gaat Nederland door een hel. Er is nauwelijks te eten meer en ook steenkool is er ook al niet meer. Het rantsoen bestaat uit 400 gram brood en een halve kilo aardappelen per week. De gaarkeukens waarvoor de mensen zich verdringen, bieden waterige menu's van raadselachtige samenstelling. Gees: "D'r zaten zwarte pitjes in, maar dan zei ik maar dat het lekker was, anders wilde niemand het eten." Marie: "Prutwater noemden we het wel eens. Het was heel slecht. Ja, voor ons is het echt heel moeilijk geweest. Wij waren echt op de gaarkeukens aangewezen." Marie heeft de zorg voor een zieke man, een zieke moeder en een opgroeiende dochter, allemaal monden die eerst gevuld worden, voordat ze zelf wat heeft. Marie: "Je denkt toch altijd eerst aan de anderen."

meintje pb

Massaal trekken de Zaankanters de polders in, naar de boeren, die misschien nog wat eetbaars hebben en dat willen verkopen. Herman Roode en Tinus Rep zwerven vaak samen door de Beemster. Tinus: "Ik had eens een pond of vijf bonen bij die boeren opgescharreld en achterop mijn fiets gedaan. Maar er zat een gat in die zak. Toen ik thuis kwam had ik nog maar één boon. Ik was net Klein Duimpje." Als Meintje erop uit trekt, heeft ze ook geen geluk. Met wat groente in haar fietstas bereikt ze opgelucht Zaandijk en informeert meteen of er gecontroleerd wordt. "Ja mevrouw", antwoordt de controleur. Ze moet meteen haar vrachtje inleveren. Marie en Gees fietsen wel eens samen de Wormer door op jacht naar wat melk. Marie: "Als je dan met een paar flessen melk thuis kwam, was je de koning te rijk. Een keer kwamen we bij een boer, die zei: ik heb geen melk, maar ik heb wel iets anders. Toen kregen we alle twee een bloemkool. Wat waren we blij!" Gees: "Dat was tegen de Kerst. Heerlijk, lekkere verse groente!" Later leveren de tochten door de Noord-Hollandse polders niets meer op. Gees weet in Medemblik een vissersboot te vinden om het IJsselmeer over te steken en keert na een paar dagen vermoeid en trots uit Friesland terug met vlees, boter en peulvruchten. Gees: ,,Ja, toen hadden we heel wat." Auke: ,,Toen waren we weer een tijdje rijk."

Op 5 februari 1945 wordt bij het stadhuis van Zaandam een politieagent neergeschoten. De volgende dag houden de Duitsers een grootscheepse razzia. Zij drijven de mensen samen op de Burcht, binnen het schootsveld van hun machinegeweren. Het bericht verspreidt zich snel. Teun Rozema verstopt zich in zijn huis, achter de schoorsteen. Hij heeft boven een luik gemaakt en kan zich zodoende met een snee brood en een fles water naar beneden laten zakken. Teun: "Daar zat ik dan, maar je kneep 'm wel, want je kind wist ook waar je zat." Marie gaat waarschuwen op de Belgischestraat. Ook Auke heeft een schuilplaats gemaakt: een smalle ruimte boven de schuifdeuren, bereikbaar via losse planken op de eerste verdieping. Auke: "Je kon daar alles horen wat in de kamer gebeurde." De razzia's blijken zich te beperken tot het gebied tussen de Bloemgracht en de Prinsenstraat. Daar worden de huizen overhoop gehaald en geplunderd. Een onbekend aantal Zaandammers wordt afgevoerd. Drie dagen later schieten de Duitsers op de kade nabij de Burcht tien gevangenen dood.

boekenlegger

Op vrijdag 4 mei maakt radio Herrijzend Nederland bekend dat de Duitsers de volgende dag gaan zullen capituleren. De nachtmerrie is over. Het feest van de bevrijding begint. Hossend en dansend komen de mensen de straat op. Pas dinsdag verschijnen onze bevrijders: de Engelse en Canadese soldaten. Dikke rijen mensen juichen hen toe. In Koog springt Simon Rep op een van de jeeps en krijgt een handje 'echte'sigaretten. Overal wordt feest gevierd, de huizen versierd. In de Belgischestraat en omgeving worden de trottoirbanden rood-wit-blauw geschilderd. Nederland is vrij, we mogen weer doen wat we willen. Kees en Jelte Roode bouwen van koekblikken bootjes en spelen op de Zaan oorlogje tegen de jongens van de Haven.

Uit: It Gouden Hert