Wieger Rozema maakt een fietstochtje van Sint Nyk (Sint Nicolaasga) naar De Tsjukemar (Tjeukemeer), niet om de Rozema-historie te koesteren, maar om een glimp op te vangen van het skûtsje Hoop Doet Leven, het schip dat zijn pake Wieger Fortuin ooit heeft laten bouwen.

Paulien en ik konden nog een weekje in augustus in het tweede huisje van Aukje en Jan verblijven. Op donderdag 18 augustus 2016, zou de IFKS (Iepen Fryske Kampioenskippen Skûtsjesilen) een wedstrijd organiseren om en nabij Echtenerbrug. En daar wilde ik bij zijn omdat het skûtsje Hoop Doet Leven mee zou varen. Dat is het eerste schip dat mijn pake Wieger Fortuin in 1910 heeft laten bouwen bij scheepswerf van der Werf in Sneek.

Zo gezegd, zo gedaan. Het weer kon niet beter, blauwe hemel, een paar kleine wolkjes en genoeg wind voor de skûtsjes. Uit Sint Nyk fietste ik langs Doniaga en Follega langs Oosterzee-Buren en zo immer rechtdoor langs het gewone Oosterzee, over de Gietersevaart, op naar Ychtener Brêge (Echtenerbrug). Aldaar, bij een gemaal met een hoge schoorsteen, zag ik vanaf het fietspad een grote verzameling auto’s staan langs een weggetje naar het Lodo van Hamelpad. Over dat pad heeft Jelte Rep ooit een mooie blog geschreven.

Het pad loopt pal langs het grote en ondiepe Tjeukemeer. Zou dat een goede kijkplek zijn om het eerste schip van mijn opa te kunnen zien zeilen?

wieger lodoDaar heb je een mooi uitzicht op het Tjeukemeer. Na een half uur begon de klasse a-klein, waar pake's schip in hoort, skûtsjes tot en met 17 meter 10. Dat is ook de lengtemaat van pake’s skûtsje, 17 meter 10. Bij de start was Hoop Doet Leven een van de eersten, na tien minuten lag hij al ver achter. In pake's tijd heette het schip Jonge Klaas, naar pake's eerste zoon en naar zijn vader Klaas Fortuin. We hebben de acte waarin pake dit skûtsje verkoopt aan een schipper uit Oosterzee en waarin ook wordt vastgelegd dat het schip voortaan Hoop Doet Leven heet.

Nu, vele eigenaars later, heet het nog steeds zo en is het eigendom van Koos van Drunen uit Nij Beets.

Naast mij kwamen mensen kijken naar het skûtsje van Abbegea. Toen ik uitlegde dat ik voor het skûtsje Hoop Doet Leven kwam, dat vroeger van mijn opa was, was de humoristische reactie: nou, dan hoef je niet zenuwachtig te zijn op welke plaats hij eindigt: hij is altijd laatste! De supporter van Abbegea legde mij uit dat dat schip het enige nog originele skûtsje is met de oorspronkelijke plaatsing van de mast, namelijk voor en met een relatief klein tuig. En daarom nooit wint. De andere skûtsjes gebruiken veel meer zeil.

wieger hoop

Als eerste vertrokken, als laatste gefinisht: De Hoop Doet Leven. In het bruine zeil het teken van het schip, een engeltje. De wedstrijd was voor mij niet spannend. Ook dit keer kwam de Hoop Doet Leven weer als laatste binnen. Nou ja: binnen? Helemaal aan de overkant van het meer, richting Sint Nyk, streek hij de fok en later het grootzeil en zette de motor aan. Het leek erop dat hij richting Echtenerbrug zou varen. Dus ik de fiets weer op en het beroemde Lodo van Hamelpad op. Een prachtig schelpenpad, links het grote Tjeukemeer en rechts een grote weidse polder, zeer plat. Maar de Hoop Doet Leven ging niet naar Echtenerbrug. Ik fietste toch maar door en verloor de hoop dat ik het skûtsje nu eens van dichtbij kon zien. Een praatje met de bemanning, ook nu zat het er niet in.

De brug in Echtenerbrug stond open. In 1979 fietste ik hier met mijn vader, toen stond de brug ook open en vertelde hij me dat zijn vader altijd hier een praatje maakte met Jolle Bakker aan de overkant. Ik passeerde nog meer plekken en plaatsen met oude herinneringen.

De tocht ging voort, helemaal rond het Tjeukemeer. Met dit schone weer zag alles er vrolijk en zeer licht uit en steeds was dat grote lichtblauwe meer nadrukkelijk aanwezig.

wieger fortuin

Langzaam peddelde ik naar Joure toe, richting Sint Nyk en had alle tijd om eens diep na te denken over het verleden. Ik kwam om de schuit van mijn grootvader Fortuin te zien en nu fietste door het landschap van mijn grootvader Rozema!

Het skûtsje van pake Wieger is gebouwd in 1910 en verkocht in 1920. Pake Fortuin kocht toen een bolpraamschip van 66 ton, dat later de naam Twee Gebroeders kreeg. Onze moeder, Gees Fortuin, heeft haar eerste vijf jaren dus op de Hoop Doet Leven geleefd. Dat schip heb ik vandaag zien varen, maar wel met een tienkoppige bemanning, uitgerust met reddingsvesten en dergelijke. De andere kinderen waren Anne Fortuin (1909), Klaas (1910) en Jap later Coba (1912).

roef hoopdoetleven

Het verhaal gaat dat onze moeder Gees geboren is in de pastorie van de gereformeerde kerk van Woudsend (uit 1912). Bij een vacature van de predikant mocht beppe Akke haar vierde kind op de wal baren en niet in die benauwde roef, die echt heel klein is. Pake vervoerde turf, terpaarde en stront (Fries). Er was geen plek in Friesland, Groningen en Drenthe waar moeder Gees de sluizen en de bruggen niet kende. Ze wist haar hele leven lang overal de weg en kon zich bar goed oriënteren. Het tweede grotere schip, dat volgens onze moeder en haar zusters en broers Twee Gebroeders heette, ging dus voor de Woudsenders aan het werk van 1920 tot en met de grote verhuizing naar Holland in maart 1930. In die tijd zat mijn moeder zeven jaar op de lagere school en was dus ook zeven jaar in de kost bij beppe Anne van der Brug. Dat zij zo'n grote kennis had van de Noord-Nederlandse vaarwegen zal ik nooit vergeten.

Bij haar grootmoeder van moederskant woonden acht tantes Van der Brug en één oom, ome Cees. Ome Cees zou later de boerderij overnemen van zijn moeder die al weduwe was sinds 1913. De oudste zuster van mijn moeder was negen jaar jonger dan ome Cees. In haar laatste jaren vertelde mijn moeder soms iets over vroeger, als ik erom vroeg.

- Mam, als het nu lang vroor en pake en opoe lagen vast, kwam pake (omdat hij zo mirakels goed kon schaatsen) dan wel eens extra bij beppe Anne om jullie (ook haar broer en zussen) op te zoeken?

- Nou jongen, ik kan het me van één keer herinneren. Ik zie hem na afloop nog weg schaatsen, in het donker, dat was ook niets.

Dus meestal was het gezin alleen herenigd gedurende twee weken in de zomer. En dat zeven jaren lang. En dan toch zo'n geografische kennis.

De winter van 1929-1930 was zeer streng. Pake en opoe besloten toen om de grote trek naar Noord-Holland te maken. Iemand had pake verteld dat er voor hem en zoon Klaas wel werk was bij de aanleg van de pontveren bij en rond Buitenhuizen. In maart 1930 zijn de meeste Fortuinen uitgeschreven uit de gemeente Wymbritseradiel. Dus op naar Holland. De Oranjesluizen maakten grote indruk op moeder Gees.

pake wieger en beppe fortuin

Zij was vanaf september 1929 dienstmeisje geweest bij haar tante Sietske van der Brug, die getrouwd was met Sietse Bakker, schoolmeester was in Idsegahuizen. Haar grote zussen Jap (Coba) en Anne dienden bij boeren in de buurt van Woudsend. Hun jaarcontract liep van november tot november. Daarom gingen die twee pas tegen de winter naar Holland, in de buurt van Velsen en Santpoort. Ze trouwden een paar jaar later, in de ‘krappe dertiger jaren’ alle twee met een boerenman. Voor mij maakte dat de verjaardagen bij de Fortuinen echt leuk. Nu nog ken ik al die verjaardagen uit mijn hoofd. Na mijn moeder kwamen nog tante Bauk (1916), ome Jelle (1920) en tante Rens (1925). Toen pake en opoe Fortuin net in de Zaanstreek waren aangekomen, liepen ze 's zondags naar de gereformeerde kerk in Spaarndam. Later werd hun domicilie de Gerrit Bolkade, bij de Bruynzeel-balkenhaven. Op oude ansichtkaarten stond als adres: p.a, W. Fortuin bij de Hembrug, Zaandam, en later: Gerrit Bolkade.

rozema auke gees strandIn Zaandam ontmoetten Auke en Geeske elkaar. Volgens de overleveringen gebeurde dat op de catechisatielessen. Vader Auke kon goed opschieten met grote broer Klaas Fortuin en kreeg een oogje op zijn knappe zus. Haar woonadres verklapte ze pas veel later. Ze was immers maar een schipperskind. Niet wetend dat pake Jelte ook schipper was geweest en dat opoe Roos de dochter was van een langarmige veenarbeider met een melkgeit en een klein moestuintje aan de Gietersevaart in Oosterzee.

Tot zover deze historische fietstocht van zo'n 40-45 kilometer

Wieger Rozema