Meintjes beruchte overgrootvader:

Tiete Gerrits Rozema (1811 - 1850)

 

kansel

Iedere familie heeft wel een skelet in de kast, een familielid over wie alleen maar gefluisterd wordt. De Rozema's hebben er meerdere. De een dronk te veel. De ander zat in de gevangenis. En zou er zelfmoord hebben gepleegd. In ieder geval gestorven zijn. Maar hoe zat het dan precies? Het gaat om Meintje's overgrootvader, maar het hoe en waarom heeft ze nooit precies geweten.

(De foto's op deze pagina zijn uit de video-documentaire die Jelte en Martin Rep maakten over het leven van Tiete.)

Op het Wener Congres, waar na de val van Napoleon de kaart van Europa opnieuw wordt getekend, wordt besloten België en Nederland te verenigen tot één koninkrijk onder koning Willem I. De Belgen vinden dat Willem I het Noorden veel te veel begunstigt. Op 25 augustus 1830 breekt in het Zuiden een gewelddadige opstand uit, waarbij meer dan duizend mensen om het leven komen en het Noorden de schrik om het hart slaat. De opstand moet worden neergeslagen.

Tiete Rozema, de zoon van Gerrit Roelofs en Froukje Lieuwes de Jong, is net twintig jaar als hij op 18 januari 1831 wordt opgeroepen voor de loting voor militaire dienst. Tiete is op 21 december 1811 in Akkerwoude geboren. Het nummer van zijn lot is 20, maar veel kans om onder militaire dienst uit te komen is er niet. Tiete wordt ingeloot en voor een periode van vijf jaar ingedeeld als milicien bij de 18e Afdeling Infanterie.

Zijn signalement luidt: rond aangezicht, rond voorhoofd, blauwe ogen, dikke neus, blond haar, kleine mond, ronde kin, en zijn lengte wordt gemeten: één el, 5 palmen, 7 duimen en één streep. Aangezien 1 el = 100 cm, 1 palm = 10 cm, 1 duim = 1 cm en 1 streep = 0,1 cm, blijkt de lengte van Tiete 157,1 cm te zijn.

Milicien Tiete Rozema wordt infanterist en zo snel mogelijk naar het bedreigde Brabant afgemarcheerd en gelegerd bij Willemstad, een plaatsje in het noorden van Noord-Brabant, aan het Hollands Diep. Lollig is het er niet. De winter van 1830-'31 is bijzonder streng. Het vriest langdurig en er valt veel sneeuw. In de wachthuizen, waar alle meubilair en stookgelegenheid ontbreekt, is het behoorlijk koud. Door de vele sneeuwstormen en dooiperiodes zijn de wegen nog nauwelijks begaanbaar. Aanvoer van voedsel verloopt mondjesmaat en de militairen lijden veel honger. De weersomstandigheden maken militaire oefeningen onmogelijk. De verveling en de koude doen velen naar de drankfles grijpen.

meetlat

Pas in de lente wordt er weer gemarcheerd en geëxerceerd. De soldaten worden gehard door lange marsen met volledige bepakking en verder zijn er uitgebreide manoeuvres op de heide. Eind juli is de opbouw van het nieuwe leger compleet. Het veldleger telt dan zo'n 36.000 man en bestaat uit drie divisies, plus een reserve-divisie. Op 8 juli marcheert Tiete met zijn afdeling infanterie de nieuwe legerplaats van Rijen binnen, een tentenstad, 1000 meters lang en 300 meters diep, verdeeld in twaalf wijken, elk met twee dubbele rijen van acht tenten. Het kamp ligt op 80 meter afstand van de weg van Breda naar Tilburg en heeft veel bezoek van nieuwsgierigen en van kooplui. In de omgeving van de legerplaats ontstaat een hele kermis van winkeltjes en kraampjes, waar burgers en militairen zich vermengen.

Dinsdag 2 augustus, om 6 uur 's morgens, is het zover. Dan begint het nieuwe Nederlandse veldleger over een breed front zijn opmars naar het Zuiden; drie divisies, met in totaal 25.600 man. De Tweede Brigade van de Tweede Divisie, waartoe Tiete Rozema behoort, loopt voorop in de aanval. Het weer is heet. Het marstempo is laag. De Eerste en Derde Divisie bereiken nog niet eens de Belgische grens. Gemiddeld leggen de militairen slechts 15 kilometer af.

tent

In de hitte rukt Tietes Tweede Brigade op over Alphen en Poppel tot aan het gehucht Den Eel. Daar wordt de 18e Afdeling Infanterie, oprukkend over een mulle zandweg door een dennenbos, met geweerkogels ontvangen. Er volgt een vuurgevecht, waarbij twee Belgen en twee Nederlanders sneuvelen en 12 Belgen en 25 Nederlanders gewond raken.

De tweede dag ontwaken de Nederlandse militairen stijf van de kou en nat van de vroege ochtendnevel om weer vroeg op pad te gaan. Opnieuw heeft de Tweede Divisie het het moeilijkst. Om een uur of één, als de Tweede Brigade Turnhout nadert, fluiten de kogels Tiete om de oren. Ditmaal geven de Belgen hun verzet snel op en omstreeks twee uur marcheren de Nederlandse troepen, onder sporadisch geweervuur, de stad binnen.

Het is heet en de soldaten moeten dagelijks flinke afstanden afleggen. Op woensdag 10 augustus gaat het op Leuven aan. Daar moet de beslissende slag worden geleverd, die de weg naar Brussel zal vrijmaken. Haar opdracht is de IJzeren Berg, een heuvel ten westen van de stad, te bezetten en de twee wegen, die van Leuven naar Brussel leiden, af te snijden. Onder dekking van artillerievuur trekken de Belgen zich in oostelijke richting uit Leuven terug. De achtervolgende Nederlandse infanteristen vorderen traag. Het is een loodzwaar terrein. Het golvende bouwland, op vele plaatsen met hoog graan bedekt, is in de hete zon een zware opgave voor de zwaar bepakte soldaten. Op 12 augustus omstreeks 12 uur 's morgens bereikt de Nederlandse Tweede Divisie de IJzeren Berg. Vanaf de 85 meter hoge heuvel kan de hele omgeving worden beheerst.

Juist als de definitieve slag om de stad lijkt te beginnen, komt een gezantschap uit Leuven met een boodschap voor de Nederlandse legerleiding. Groot-Britannië en Frankrijk blijken het einde der vijandelijkheden te eisen en zullen, als de Nederlanders niet stoppen, die weigering opvatten als een oorlogsverklaring aan beide landen. Grommend geeft de Nederlandse legercommandant opdracht de strijd te beëindigen. Er volgt een wapenstilstand. De strijd wordt verder uitgevochten aan de onderhandelingstafel, maar de gewone soldaat heeft daar geen weet van.

Gedesillusioneerd trekken de Nederlandse troepen terug naar het eigen koninkrijk, waar de militaire operatie als een schitterende overwinning wordt beschouwd. Op 20 augustus zijn alle troepen teruggekeerd in Noord-Brabant met vijf buitgemaakte kanonnen. Uit drie daarvan wordt voor de deelnemers aan de Tiendaagse een ereteken, het Metalen Kruis, geslagen. De voorzijde van de penning draagt de beeltenis van Willem van Oranje en de tekst: ,,Willem, Prins van Oranje, Veldmaarschalk, Opperbevelhebber.'' De keerzijde van de medaille toont een kruis met de jaartallen 1830-1831 en de woorden: ,,Trouw aan Koning en Vaderland'', terwijl in het rond geschreven staat: ,,Instelling van het Metalen Kruis 12 September 1831. Veldtogt in België.'' Tiete Rozema ontvangt het eremetaal op 5 april 1832.

Het einde van de strijd betekent nog niet het einde van de mobilisatie. Om de Nederlandse eisen aan de onderhandelingstafel kracht bij te zetten, blijft het leger voorlopig op oorlogssterkte. Tiete slijt zijn dagen in Willemstad, bij de 18e Afdeling Infanterie, maar heeft geluk. Op 16 juni 1833 krijgt hij onbepaald verlof en keert hij naar Friesland terug.

Tiete Rozema is 37 jaar oud als hij op 21 mei 1848 in het raadhuis van Dokkum ‘ja’ zegt tegen een 28-jarige dienstbode, werkzaam in Dokkum: Tetje Tunnis Postema. Tetje is een Groningse, geboren op 1 december 1820 in Pieterzijl, gemeente Grijpskerk. Haar vader was daar boerenknecht, maar heeft zich inmiddels opgewerkt tot ,,winkelier en baardscheerder'' in het Friese Burum. Hij en zijn vrouw Antje Reinders Broekstra hebben de dag vrij genomen voor de bruiloft. Ook aanwezig zijn de ouders van de bruidegom, ofwel in de woorden van de precieze ambtenaar van de burgerlijke stand: ,,Gerrit Roelofs, de familienaam hebbende van Rozema, arbeider'' en ,,Froukje Lieuwes, de familienaam hebbende van de Jong, ook bekend onder de voor en toenaam van Lieuwtje Jans de Jong, echtelieden, wonende te Jislum, grieterij (gemeente) Ferwerderadeel.''

erekruis

Tiete Rozema en zijn Tetje gaan wonen in Burum, naar ik aanneem bij haar ouders. Burum anno 1848 is een winderige uithoek van Friesland, weggeschoven tegen de grens met Groningen, halverwege verlaten namen als Buitenpost en Grijpskerk. Een stip aan de strakke horizon, die naarmate je dichterbij komt, uiteen brokkelt in de contouren van een kerktoren en een molen. Over het grindpad, vanaf de weg Leeuwarden-Groningen, is het twaalf minuten lopen naar het dorp. Er is maar één grindpad, de andere wegen zijn van klei. Er is maar één grondsoort: klei, aangedragen door de zee, en ingedijkt door de monniken, die indertijd bij Burum een klooster annex bierbrouwerij hadden.
De klei is te zwaar voor landbouw, maar zeer geschikt voor veeteelt. Rondom Burum liggen dan ook grazige weiden, vette koeien en welvarende boerenplaatsen, 45 in getal. Het dorp zelf telt 272 huizen, twee kerken, een paar winkels, herbergen, verscheidene kroegen en ruim 1600 inwoners; zeven inwoners per huis.

Tiete is van boerenknecht arbeider geworden, maar veel helpt het niet: hij is en blijft zo arm als Job. Hij is niet de enige. Er zijn zo'n tweehonderd bedeelden. Waar Tiete werkt, weten we niet. Fabrieken zijn er niet in Burum, wel een molen. Er is één boekweitmolenaar en verder zijn er wat smeden, wagenmakers, kuipers, bakkers, schoenmakers, schippers, kooplieden, winkeliers en twee doktoren: een medicinael doctor en een geneesheel- en vroedmeester. Op zondag 18 maart 1849, 's morgens om 4 uur, brengt Tetje in Burum een zoon ter wereld, Tunnis, vernoemd naar de vader van Tetje.

Een halfjaar later, in september 1849, constateert de echtgenote van Jelke Wytzes Postma uit Burum dat haar koe, die graast op de dorpsweide, plotseling geen melk meer geeft. Ze uit haar verwondering aan haar zoon, de 23-jarige smidsknecht Wytse Jelkers. Ook hij gelooft niet dat het aan de koe ligt. Op de vroege morgen van donderdag 19 september verstopt hij zich bij het grasveld waar de koe van zijn moeder staat, en ontdekt dan dat het Tiete Gerrits Rozema is, die eerst zijn eigen koe melkt en daarna de koe van zijn moeder. Wytse wendt zich tot de veldwachter en samen met hem verstopt hij zich de volgende morgen opnieuw bij het weiland. Opnieuw verschijnt Tiete, melkt zijn eigen koe en daarna die van vrouw Postma. Tiete wordt op heterdaad betrapt.

Op 17 oktober komt de zaak voor bij de arrondissementsrechtbank van Leeuwarden. Wytse Jelkes Postma, die als getuige is opgeroepen, moet het verhaal nog eens vertellen. Beklaagde Tiete Rozema geeft desgevraagd toe dat hij de koe van vrouw Postma enkele malen heeft gemolken, maar ontkent dat hij het iedere morgen heeft gedaan. De openbare aanklager acht bewezen dat beklaagde de koe ,,arglistig heeft uitgemolken met het doel om zich de daarvan afkomstige melk toe te eigenen'' en eist de straf, conform de artikelen 401 en 104 van het Wetboek van Strafrecht voorschrijft: een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en het betalen van de proceskosten. Tiete heeft de rechter al verteld dat hij een arme huisvader is en maakt daarom geen gebruik van de gelegenheid om nog iets te zeggen. Nadat de rechtbank kort achter gesloten deuren heeft beraadslaagd verklaart de rechter ,,den persoon van Tiete Gerrits Rozema schuldig aan het wanbedrijf van diefstal en veroordeelt hem ter zake tot een gevangenisstraf van drie maanden en de kosten der procedure''. Die rekening ziet er zo uit:

Kosten der getuigen f 3,06
exploiten enz. der deurwaarders f 2,00
Griffier voor expeditie en afgegeven aan de heer Officier f 0,57
4 art deze staat f 0,10
Totaal f 5,73
Boeten: geen
Totaal f 5,73

 

gevang

Burum is geen prettige woonplaats meer voor Tetje sinds haar man in de gevangenis zit. Zij en de kleine Tunnis trekken in bij haar schoonouders, die in Jislum wonen. Daar krijgt Tetje in de vroege ochtend van woensdag 20 februari een rampzalige mededeling: haar man Tiete is de vorige avond om tien uur in de gevangenis overleden. De doodsoorzaak hebben we niet kunnen achterhalen in de archieven; nergens staat vermeld waaraan Tiete Gerrits is gestorven. Zijn achterkleinkind Teunis Tiede Rozema uit Heiloo heeft in familiekring vernomen dat Tiete zich heeft verhangen, maar zeker is het niet.

In ieder geval sterft de voormalige infanterist, die tijdens de Tiendaagse Veldtocht zijn moed bewees, een roemloze, schandelijke dood. Tetje wordt op 29-jarige leeftijd weduwe en Tunnis, elf maanden oud, heeft geen vader meer. Namens de familie gaat de 54-jarige arbeider Douwe Jans de Boer naar Leeuwarden om de formaliteiten af te handelen. Samen met een cipier van de Strafgevangenis geeft hij het overlijden van Tiete aan bij de burgerlijke stand. Waar Tiete is begraven, is ons niet bekend.

Het leven gaat door en is te kort om lang te treuren. Ruim drie jaar later staat Tetje in het stadhuis van Echten, gemeente Lemsterland. Het is dan vrijdag 18 november 1853 en ze belooft plechtig trouw te blijven aan Jan Jans Mast, arbeider, en hij aan haar. Twee jaar later wordt hun eerste kind geboren, dat ze Koop noemen. In 1857 brengt Tetje een dochter ter wereld, maar het meisje sterft al als zuigeling. Een tweede dochter, die anderhalf jaar later geboren wordt, blijft wel in leven. Haar naam is Trijntje. Tunnis, haar zoon uit haar eerste huwelijk, is dan net vier jaar. Hij wordt vaak Tunnis (en later Theunis) Mast genoemd naar de achternaam van zijn stiefvader, bij wie hij opgroeit.

In 1868 komt het harde leven van Tetje tot een einde. Op zaterdag 1 februari overlijdt te Echten: Tetje Theunis Postema, oud 47 jaar, echtgenote van Jan Jans Mast, een dappere Groningse vrouw, stammoeder van vele Rozema's én Masten.

Uit: In Hert fan Goud door Jelte en Martin Rep

Documenten

Tiete gaat met groot verlof

Verslag van proces tegen Tite

Vonnis tegen Tiete

Inschrijvingsregister in Huis van Correctie

Acte van overlijden Tiete