Meintjes neefje:

Jelte Roode (1940 - 2011)

Jelte Roode

Broer Theunis schreef de tekst, achterneef Geert Rozema las die voor bij het afscheid van Jelte Roode op 29 augustus 2011. Hieronder een ingekorte versie van het In Memoriam.

roode broers

Jelte, den Israëliet. Jelte den Jood. Zo stond Jelte vroeger bekend in de “goddeloze”, rode arbeiderswijk Vissershop in Zaandam, waar hij 70 jaar geleden opgroeide. Het huis van Jelte en zijn familie doet denken aan het dorpje van Asterix en Obelix. Het was een enclave in een vijandige omgeving, met in de plaats van de Romeinen de rooie goddelozen.

Onbevreesd was hij. Onverschrokken klom hij op het dak van de Openbare School in zijn wijk, iets wat bijna niemand durfde. En wat respect en ontzag afdwong bij de rooien: de socialisten en communisten. Respect was in die tijd niet vanzelfsprekend. Er bestond een grote afstand tussen Gristenen en socialisten. Christenen waren losers en kneuzen. Jelte doorbrak dit cliché van loser met zijn onverschrokken gedrag en uitstraling. Christenen konden klaarblijkelijk ook anders zijn. Het was dan ook geen straf om hem als broer te hebben. Het was bovendien veiliger – je had minder snel last met de Vissershoppers.

roode jelte trouwen2 kopie

Iedereen in die ‘goddeloze’ wijk kende Jelte en zijn familie, dankzij het collecteren en de verkoop van kalenders voor de kerk. En natuurlijk dankzij Jelte's daden. Hij was een soort Simson onder de Filistijnen. Nooit bang en te beroerd om een onbesuisde daad te stellen. Neem het schotje springen in de Zaan, op vervaarlijk krakende ijsschotten. Of het bootje pikken. Dan dook Jelte de Zaan in en zwom naar een opvarende boot om daar op te klauteren en een kilometer mee te varen waarna hij hetzelfde trucje herhaalde op een andere boot, die de andere kant uitvoer. Zeker niet ongevaarlijk.

roode vader

Jelte zag alle vogeltjes vliegen. Niets ontging hem. Tegenwoordig zou je hem een ADHD-er genoemd hebben. Studeren was niets voor hem. Op de lagere school ging het niet. Ook een jaar extra bood geen soelaas. Zijn leraren spaarden hem niet. Totdat vader vond dat het genoeg was. Hij zou Jelte een vak gaan leren en nam hem mee naar zijn werk. Zo gezegd, zo gedaan. Vader bleef in zijn zoon geloven. Onvoorwaardelijk. Dit vertrouwen wierp zijn vruchten af. Jelte werd als timmerman een goede vakman. De avondschool vormde na de opleiding van zijn vader geen probleem meer.

Het vertrouwen van vader Herman in zijn zoon bleef. Ook toen een ouderling via de predikant “slecht” over zijn zoon sprak. Jelte had een relatie met een hervormd meisje en dat was toen een taboe. Jelte doorbrak dat taboe met steun en vertrouwen van zijn vader, die hem nooit liet vallen. Vader Herman was een onmiskenbaar voorbeeld voor Jelte. Een baken van veiligheid, zekerheid, rust en vertrouwen. En moeder Anne? Zij zorgde goed voor Jelte, ze was een lieve zachtaardige vrouw.

roode reborn

Jelte werkte naast zijn timmermansbestaan ook als vrijwilliger. Bij de Jeugdhaven deed hij jaren lang evangeliserend werk. Niet in zijn eigen wijk, maar in de haven, die minstens zo rood was als het Vissershop. ‘Sjeffie’ noemden ze hem. Hij was er geliefd. Later als hij wel eens van die jongens tegen kwam, riepen ze dankbaar: “Veel van je geleerd, Sjeffie!” Daarna ging Jelte aan de slag als jeugdouderling, eind jaren ‘60, begin ‘70. Ook dit was een pittige job met dito uitdaging. Jelte beschikte over tact om deze taak te volbrengen, een talent dat hij meegekregen had van zijn vader.

En toen, van de ene op de andere dag, kwam de switch. Van timmerman tot vertegenwoordiger bij pruik- en hoedendozenfabriek “Romein”. Later werd hij cipier in de Bijlmerbajes met de zwaardere gevallen. Ook was hij daar arbeidstherapeut. Daarna toog Jelte richting eigenbouwbedrijf. Er volgden zeven gelukkige, plezierige of vette jaren met veel contact en betrokkenheid met zijn broers. Een onfortuinlijke en minder prettige faillissement beëindigde deze periode. Hilarische anekdotes over dakkapellen en verkeerd gestorte zandladingen circuleren nog steeds binnen de familie. Jelte ging vervolgens heerlijk aan de slag bij Martin Heitlager, montagebedrijf voor reclameborden. Hij kon weer klimmen, net als vroeger. Onbekommerd en onverschrokken werkte hij tot op zijn zestigste.

roode broers 2

Jelte keek veel naar mensen, hij was een waarnemingskunstenaar. Wat hij zag, vergrootte hij vaak uit, tot in het cabareteske en tot vermaak van zijn familie. Jelte kon zich na een grap weer overgeven aan uren- en dagenlange noeste schaaf arbeid aan een half vergane Oostzaner jol, in de gure oostenwind. “Die gaan ik opknappen.” Hij knutselde graag. Maar zeur hem niet aan zijn hoofd als hij aan het knutselen was. “Geen geouwehoer!” Tot de stemverheffing kwam hij pas als een grap of humor geen uitweg bood. En daarna was het ook snel klaar, hij bleef niet lang boos.

Het ongeluk met de boor in zijn oog gaf Jelte’s leven een negatieve wending. Hij werd ziek en kwam van de regen in de drup. De ziekte van Alzheimer volgde. Hij kreeg moeite zijn gedachten uit te drukken en de laatste twee jaar sprak hij bijna niet. Soms wel ineens, bij verrassing, onverwacht. Soms waren er heldere momenten. En een lach. Een opflikkering van zijn ogen, herkenning? Contact. Soms was er even het samen zingen. Of neuriën. Soms was er even de oude Jelte. Maar heel vaak niet. Het was zwaar en verdrietig om hem te zien. Jelte, de gekooide tijger. Zo somber, terneergeslagen. Jelte. Jelte? Wel en niet.