Godsdiensttwist in de familie

Gerrit Roelofs Rozema (1780 - 1851)

jislum1Mijn moeder Meintje Jacobje Rozema was een gelovige vrouw. Ze kon principieel zijn maar ze zou met verbazing kennis hebben genomen van de godsdienstwist, waarbij een van haar voorvaderen is betrokken: Gerrit Roelof Rozema.

Hij wordt in 1780 geboren als zoon van Gerrit Roelofs Rozema en Tetje Jans. Als hij 24 jaar oud is, trouwt hij met Froukje Lieuwes de Jong, ook wel Lieuwtje Jans de Jong genoemd. Dat gebeurt op 13 mei 1804 in Jislum, een plaatsje van ruim honderd zielen in het noorden van Friesland, zo klein dat het de dominee moeten delen met Wanswerd, waar ongeveer driehonderd mensen wonen. De dominee preekt daarom twee zondagen in Wanswerd en dan één in Jislum. Op zo'n zondag, 6 mei 1806, legt Gerrit in het kleine dorpskerkje belijdenis af van zijn geloof. Gerrit Roelofs en Froukje Lieuwes krijgen -zeker- vijf kinderen. Vader Gerrit verdient de kost als arbeider. Kerkelijk is hij meelevend. In december 1831 wordt hij te Jislum gekozen tot ouderling van de hervormde gemeente en op Nieuwjaarsdag bevestigd in dat ambt. Hij is dan 51 jaar oud.

Juist in deze tijd wordt zo'n heftige godsdiensttwist uitgevochten binnen de hervormde kerk dat velen de kerk de rug toekeren. Gerrit Roelofs blijft in dit stormgetij zijn kerk trouw. Bijna onafgebroken dient hij de hervormde gemeente van Jislum als ouderling, totdat hij op 24 juni 1851, 's middags om half drie, overlijdt, 71 jaar oud.

Met behulp van de ,,Handelingen des Kerkeraads'' en andere bronnen is het mogelijk de kerkelijke ,,woelingen'' in Wanswerd en Jislum te reconstrueren. De anders zo ingetogen, zwijgzame Friezen blijken, zodra er godsdienst aan te pas komt, schreeuwende woestelingen te zijn, die elkaar bestrijden en belagen met een fanatisme dat sinds de moord op Bonifacius niet meer werd gezien. Familiebanden tellen niet meer, kinderen verheffen zich tegen hun ouders. Gerrit Rozema en Froukje Lieuwes zien hun zoon Roelof kwaad weglopen.

Rust asjeblieft!

Om dit fanatisme te begrijpen, moeten we ons realiseren hoe Nederland op dat moment in elkaar zit. Het is de tijd van de trekschuit en van zelfvoldane, gezapige rust, die als een dikke stroop over het koninkrijk ligt. Nederland ligt bij te komen van twee verscheurende nachtmerries: de Franse bezetting en de Opstand van België. De Tiendaagse Veldtocht ligt nog vers in het geheugen en zeker bij Gerrit Roelofs Rozema, wiens zoon Tiete zich onder de militairen bevond. Nederland waakt ervoor dat niets maar dan ook niets, de hervonden rust zal verstoren.

De gezapigheid en zelfvoldaanheid zijn onterecht. Er mankeert heel wat aan Nederland. Het ,,gelijkheid, vrijheid en broederschap'' van de Franse revolutie is met de Fransen vertrokken. Nederland is een standenmaatschappij gebleven met een ongelijkheid die om moeilijkheden vraagt. Er zijn rijken (ongeveer 5 procent van de bevolking), er is een betrekkelijk welvarende middengroep (eenderde van de bevolking), maar de meeste Nederlanders zijn minvermogend of bedeeld (ongeveer 60 procent). Merkwaardig genoeg wordt er nauwelijks geklaagd. Nederland, van hoog tot laag, van rijk tot arm, is ervan overtuigd dat het verschil tussen rijk en arm door God zelf gewild is. Arm zijn is geen schande, zo wordt dikwijls gezegd; vooral door de welgestelden. De arbeiders bezitten niet veel meer dan hun geloof, dat hen troost en hoop biedt. Daarom verweren ze zich fanatiek als de kerken steeds verder afwijken van de zuivere geloofsleer.

Gekwansel op de kansel

Na het vertrek van de Fransen in 1813 heeft koning Willem - op eigen gezag - het bestuur van de kerk in handen gelegd van een synode. Dat betekent dat de kerk niet langer van onderaf - door gemeenteleden en kerkeraden - wordt geregeerd, maar van bovenaf: door de synode en de koning. En juist omdat de synode zo krampachtig de eenheid in de kerk wil bewaren, wordt ze de spreekbuis van de middelmaat en kan ze niets doen tegen het binnensluipende liberalisme. Vanaf de kansel wordt steeds minder de ,,leer der vaderen'' gepreekt en steeds meer onzin en vrijblijvendheid verkondigd. De meeste kerkgangers hebben er geen bezwaar tegen, maar een kleine groep eenvoudige vromen hoort tandenknarsend deze ,,dwaalleer'' aan. Dit is in strijd met Gods woord, roepen ze, maar hun protesten worden genegeerd. Ze worden uitgemaakt voor ,,dwepers en kleine luyden'' en ze worden weggehoond. Velen blijven uiteindelijk weg uit de kerk en zoeken elkaar op in zogenaamde ,,conventikelen'' of gezelschappen voor hun eigen particuliere godsdienstoefeningen. Anderen kunnen niet zo makkelijk de kerk in de steek laten en proberen binnen de kerk te blijven waarschuwen tegen het afdwalen van de oude ,,gereformeerde'' leer.

Zo gebeurt het in vele plaatsen, maar het bekendst zijn de gebeurtenissen in Ulrum, Groningen. Daar is het de predikant zelf, Hendrik de Cock, die zich in woord en geschrift fel keert tegen de moderne geloofsopvattingen en de moderne dominees, die als ,,wolven, die de Schaapskooi van Christus aantast[t]en''. Minder bekend, maar niet minder dramatisch zijn de gebeurtenissen die zich voltrekken in Wanswerd/Jislum, dat nauwelijks veertig kilometer ten westen van Ulrum ligt. In het oog van de storm bevindt zich ouderling Gerrit Roelofs Rozema, 54 jaren oud. Hier wordt niet geprotesteerd tegen de inhoud van de preek; die is zwaar genoeg, maar tegen het feit dat tijdens de dienst altijd een gezang uit het nieuwe gezangboek moet worden gezongen. Dat gezangboek stamt uit 1805, uit de Franse tijd. En al zijn de Fransen al meer dan twintig jaar verdwenen, de verplichting om in iedere kerkdienst een gezang te zingen geldt nog steeds. Tot ergernis van vele kerkgangers. De predikant van Wanswerd/Jislum, ds Johannes Los, is een vriendelijk, maar geen dapper man. Hij onttrekt zich niet aan de verplichting, maar laat het gezang altijd zingen aan het begin van de eredienst, zodat zij die er al te veel aanstoot aan nemen, wat later de kerkbanken in kunnen schuiven.

Hoed op in de kerk!

Als op zondagochtend 19 oktober 1834 Gerrit Roelfs Rozema en de drie andere ouderlingen hebben plaats genomen in de ouderlingenbank, ds Los de kansel heeft beklommen en de kerkdienst zoals gebruikelijk wordt begonnen met het zingen van een gezangvers, zien ze dat een van de gemeenteleden demonstratief zijn hoed ophoudt. Het is een van de zonen van Jan Pieters Faber, schutter in militaire dienst en met verlof thuis. De ouderlingen kijken vanuit de ouderlingenbank waakzaam toe, maar grijpen niet in. Pas als orgel en gezang verstomd zijn, zet Faber het hoofddeksel af.

's Middags is Faber jr weer aanwezig in de kerk, ditmaal in gezelschap van zijn twee broers. Als ds Los het te zingen gezangvers opgeeft, staat een van de Fabers op en maakt gebaren naar de predikant. Zijn broer klapt luid in zijn handen en roept: ,,Dit is van den Heere''. Hij krijgt bijval van een vrouw, die ook begint te roepen en in het Fries antwoordt: ,,It is fan de divel!''. Faber jr kijkt zo dreigend naar de preekstoel dat ds Los geheel van zijn stuk raakt en haastig de kansel verlaat. In gezelschap van ouderlingen en diakenen rept hij zich naar de kerkeraadskamer, terwijl het kerkvolk in de grootste verwarring het kerkje verlaat.

De kerkeraad laat het er niet bij zitten. Op verzoek van predikant, ouderlingen en diakenen maakt de veldwachter proces-verbaal op tegen de gebroeders Faber. Ze moeten verschijnen voor de rechtbank van Leeuwarden, die de drie broers veroordeeld drie maanden gevangenisstraf, een boete van 8 gulden en de kosten van het geding, zijnde 48,63 gulden.

Ook zoon loopt boos weg

Maar daarmee is de gezangenkwestie nog niet de wereld uit. Als Jan Piers Faber zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, richt hij een verzoek tot de kerkeraad om als ,,Ledemaat uitgeschrapt'' te worden. Ds Los, ouderling Rozema en de andere kerkeraadsleden leggen het verzoek naast zich neer. Geen scheuring, maar rust willen ze. Maar Faber blijft volhouden en de kerkeraad moet uiteindelijk toegeven. Meer gemeenteleden uit Wanswerd volgen Fabers voorbeeld. De godsdiensttwist verdeelt ook huize Rozema. De zoons Roelof en Tiete keren zich af van de kerk, vader Gerrit blijft de hervormde kerk trouw maar ziet vanuit de ouderlingenbank het aantal kerkgangers gestaag slinken.

In maart 1836 treedt Roelof Gerrits Rozema als lid toe tot de afgescheiden gemeente en keert ,,de synagoge des satans'', waarin zijn eigen vader ouderling is, de rug toe. Na zes jaar is de pijn voorbij, keert Roelof terug in de kerk van zijn vader en doet hij op 9 maart 1842 belijdenis ten overstaan van ds J.A. Offenhaus, die de inmiddels overleden Johannes Los als predikant is opgevolgd. Ds Offenhaus is een dominee van het lichtere kaliber, maar dat deert Roelof kennelijk niet meer. Offenhaus is daarnaast een nauwgezet man. Hij ontdekt dat Gerrit Rozema is al zeven keer achtereen als ouderling herkozen is, hoewel tweemaal achtereen het maximum is. Gerrit moet twee jaar lang zijn plaats in de ouderlingenbank afstaan. In 1849 wordt hij opnieuw gekozen en blijft zijn verdere leven ouderling, want tijdens deze ambtstermijn overlijdt hij. Als aan het graf van broeder Rozema is gezongen, dan in ieder geval geen gezang. De omstreden verplichting om in kerkdiensten een gezang te zingen is dan alweer opgeheven, maar de gebeurtenissen van 1834 hebben zo'n indruk gemaakt dat er tot op de dag van vandaag nauwelijks nog gezangen gezongen worden. In de kerk van Jislum al helemaal niet. Daar heeft een beeldhouwer zijn intrek genomen.