Meintjes over-over-overgrootvader:

Roelof Lieuwes Rozema (1742– ?)

godloos brug

Omstreeks 1742 werd Meintje's over-over-overgrootvader geboren, zo blijkt uit een oud doopboek in het Ryksarchyf te Leeuwarden. Hij heette Roelof Lieuwes [Rozema] en hij aanschouwde het levenslicht "in De Valom, nabij het Goddeloos Tolhuis", zo vermeldt het document.

De Valom blijkt een winderig gehucht te zijn, even ten noordoosten van Leeuwarden, ruwweg tussen Veenwouden en Akkerwoude. Het Goddeloos Tolhuis staat er nog steeds, aan de zuidkant van de Valomster Vaart, naast de Goddeloze brug, die toegang geeft tot de Goddeloze Singel. De boerderij kijkt uit over rietvelden, ruige graslanden, moerasbosjes en slootjes en wordt omzoomd door rijke begroeiing met onder andere de kattenstaart, de gele lis en het kalmoeskruid, dat gebruikt wordt in de Friese Berenburger en de Deventer koek. Het is tegenwoordig een natuurgebied onder bescherming van Staatsbosbeheer. Er huizen veel vogels, van de merel tot de kemphaan, maar de bruine kiekendief is er het talrijkst, zo vermeldt een folder van Staatsbosbeheer.

Als ik er rondloop, in gezelschap van mijn verre neef Andries Rosema, spelen prachtige wolken met de belichting van het landschap. Er lijkt niet veel veranderd in 250 jaar. Zoals het er nu uitziet, moet het er toen ook hebben uitgezien. Alleen ontbreekt ieder spoor van het geboortehuis van Roelof Lieuwes, wat ook geen wonder is. Het huis van mijn voorvader was waarschijnlijk een armetierige plaggenhut, half in de grond, half boven de grond gebouwd, die hooguit tien winters heeft kunnen weerstaan.

Ten noorden van De Valom begon een woest hoogveenlandschap met heidevelden, elze-, berke- en eikenbosjes, afgewisseld met weilanden en poelen. Er liep een enkele zandweg door het gebied, onder andere de weg die Dokkum verbond met het zuiden. Het was de kunst het ruige gebied zo snel mogelijk te passeren, want het volk dat er woonde, was het uitschot van de maatschappij, mensen die nergens anders gebruikt konden worden en die men liever kwijt dan rijk was. Het was een vreemd mengelmoesje uit allerlei windstreken: Groningers, Duitsers, joden, Overijsselnaren, Drenthen en criminelen, die de woeste heide als onderduikadres gebruikten.

godloosWaar de weg van Dokkum naar het zuiden en de Valomster Vaart elkaar kruisten, lag het Goddeloos Tolhuis. Die naam heeft het te danken aan een man die door zijn hardvochtig optreden de bijnaam Gerben God[de]loos had gekregen. Niemand kwam zijn Goddeloze Brug over zonder tol te hebben betaald. Zelfs voor koeien en paarden moest betaald worden.
In deze goddeloze omgeving leefde Roelof Lieuwes ruim 25 jaar. In 1768 of 1767 (de documenten spreken elkaar tegen) trouwde Roelof met een zekere Tetje Gerrits. Dat gebeurde in Akkerwoude. Het echtpaar kreeg zeker drie kinderen: Trijntje, (1769), Jitske (1774) en Gerrit (1780), allen geboren in of nabij De Valom. Het jongste kind is een van Meintjes stamvaders.

Niet alleen justitie bezocht het gebied, ook predikers en evangelisten lieten zich zien. Hun woord viel niet op rotsbodem. De verpauperde heidebevolking op de Akkerwoudster Broek was de spookverhalen beu en iedere prediker die hun houvast kon bieden, hun taal sprak en hen begreep, kon op een grote aanhang rekenen. Ook het gezin van Roelof Lieuwe liet zich dopen en het jongste kind, Gerrit Roelofs, zou jarenlang de kerk als ouderling dienen.

Uit: In Hert fan Goud door Jelte en Martin Rep